Algemene Basisopleiding Tentoonstellen
door © Roby Bellemans
tekst cursusboek
OPGELET:
Deze tekst mag uitsluitend voor eigen gebruik afgedrukt worden. Het is niet toegestaan om
zonder toestemming delen ervan op de een of andere manier te publiceren.
Helaas voor ons dachten de uitgevers dat er een te kleine doelgroep was voor het handboek
waardoor het drukken ervan commericeel gezien niet interessant was. En wij vonden het weer
jammer van het vele werk wanneer er niets met gedaan zou worden.
Vandaar ons besluit om het handboek dan maar integraal op internet te zetten. U hoeft dus
niets te betalen voor het gebruiken van dit materiaal, maar dit betekent niet dat u er geen
vergoeding voor mag geven.
Qua vergoeding mag u denken aan een bedrag tussen de 10 en 25 euro. Instellingen die het
handboek als lesmateriaal willen gebruiken kunnen ook een dergelijk bedrag per kopie aan
ons
overmaken. Met die inkomsten kunnen wij weer leuke andere dingen bedenken en
uitvoeren.
De vergoeding kunt u storten op onze girorekening 216886 o.v.v. cursusboek
tentoonstellen.
Terug naar
homepage
deze site bevat deel5
Deel I beleid & marketing:
1 de verschillende manieren om met tentoonstellen bezig te zijn
2 marketing
3 het beleid bepalen
4 een beleidsplan opstellen
5 promotie en publiciteit
Deel II: zakelijk:
1 de zaken
2 contracten
3 het auteursrecht
4 verzekering
5 im- en export
Deel III-A: de
tentoonstelling
1 concept tentoonstelling
2 presentatie
3 het loopplan
4 de verschillende manieren van tentoonstellen
Deel III-B: de
tentoonstelling
1 maquettes en modellen
2 de verlichting
3 presentatiemiddelen
4 ophangsystemen
5 teksten
Deel III-C: de
Tentoonstelling
1 het werkplan
2 de begroting
Deel IV-A: de
werkzaamheden
1 de intake
2 ingelijst werk
3 tentoonstellen in een andere ruimte
4 transport
Deel IV-B: de
werkzaamheden
1 tijdens de tentoonstelling
2 na de tentoonstelling
3 het archief
Deel V: uit de praktijk
1 een onderzoek
2 evaluatie
met dank aan de volgende mensen voor hun bijdragen en adviezen:
Deel I: Gerrit Staal (marketing director Philips International),
Deel II: Jan Bartz (gevolmachtigde verzekeringsmij Nieuw-Rotterdam), Willem Sleijster
(hoofd douanekantoor Terneuzen).
Deel III-B: Wim Clarijs (maquettebouw),
Deel IV-A: Muskie Engels (kunsttransport),
Deel V - Uit de praktijk
1 een onderzoek
2 evaluatie
Deel V - Een onderzoek
Inleiding
In de voorgaande delen werd er regelmatig op gewezen dat
het bestuderen van de markt van groot belang is.
Wie de markt wil leren kennen, kan zich baseren op bestaande
onderzoeken. Een standaardbron is bijvoorbeeld het statistisch
jaarboek. Ook onderzoeken gedaan door het Cultureel Plan Bureau
en andere instellingen leveren nuttige gegevens op. Moeilijker
te vinden, maar daarom niet minder interessant, zijn
bijvoorbeeld doctoraalscripties. U vindt ze in universiteitsbibliotheken.
Een belangrijke bibliotheek op dit gebied is
die van de Faculteit Museologie, een afdeling van de Amsterdamse Hogeschool voor de
Kunsten.
Ondanks al die beschikbare gegevens is de kans groot dat u voor
eigen gebruik specifieke gegevens nodig hebt.
Alvorens deze cursus te ontwikkelen vroegen wij ons ook af of
er een markt voor was. De cursus richt zich onder meer op mensen die een galerie willen
beginnen, tentoonstellingen voor een
bibliotheek willen maken of in een museum willen werken.
Hoe het met de eerste twee `markten' zat, was ons redelijk goed
bekend. Wat betreft de museumwereld lag dat anders. Vandaar dat
wij besloten een `museum-onderzoek' op te zetten.
Bij het opzetten van een cursus heeft men een aantal belangrijke uitgangspunten. Een voor ons
heel belangrijk punt is dat men tentoonstellingen maakt voor het publiek. Onze vraag was
dus: "Hoe publieksvriendelijk zijn de Nederlandse musea ingericht?".
Het aardige was
dat wij, voorafgaande het landelijk onderzoek, een verzoek kregen vanuit het Rijksmuseum te
Amsterdam met min of meer dezelfde vraag: hoe kindvriendelijk was hun inrichting? Het
onderzoek voor het Rijksmuseum was voor ons leuk om te doen omdat we bijvoorbeeld
overal
mochten komen waar je normaliter als bezoeker niet mag komen. Ook zeer leerzaam was het
achteraf bespreken van onze bevindingen.
Het onderzoek
Stichting Kijken organiseerde in 1995 twee onderzoeken. Onderzoek I is een globaal landelijk
onderzoek bij zo'n 100 musea,
10% van de musea die vermeld stonden in de museumgids van 1995.
Onderzoek II is een aanvullend gebruikersonderzoek.
Onderzoek I was vooral bedoeld om een representatief beeld te
krijgen van het totale aanbod zoals dat terug te vinden is in
de museumgids. Het onderzoek is verricht door een medewerker
van Stichting Kijken, te beschouwen als een geïnteresseerde
bezoeker maar deels ook als een toevallige bezoeker. "Loop eens
een museum binnen" is een slogan waarmee de groep van toevallige bezoekers wordt
benaderd. De toevallige bezoeker is in het
algemeen wat kritischer, althans minder geïnteresseerd dan
iemand die gericht een bepaald museum komt bezoeken.
Daar komt nog bij dat de medewerker docent tentoonstellen was.
Voor iemand uit het vak vallen tekortkomingen sneller op.
Uiteraard wilden wij graag onze eigen bevindingen toetsen aan
die van de gewone museumbezoeker. Een hoogst enkele keer konden
we dat doen door in het gastenboek te kijken, maar dat is
slechts in weinig musea aanwezig.
Vandaar dat wij voor aanvullend beeld een (beperkt) publieksonderzoek hebben opgezet. Dit
onderzoek werd uitgevoerd door
verschillende zelfstandig opererende vrijwilligers. Uiteraard
bezochten die vooral musea waarnaar hun persoonlijke voorkeur
uitging. Er was niet gevraagd om bepaalde musea te bezoeken met
als gevolg dat sommige musea meerdere malen bezocht werden.
In dit deel leest u hoe wij het onderzoek hebben opgezet. War de resultaten waren leest u
verderop.
Onderzoek I
de selectie:
In de museumgids 1995 zijn zo'n 1000 musea en andere instellingen opgenomen. Een selectie
van bijna 100 te beoordelen
musea, 10 % dus, geeft een representatief beeld. Om niet te
vervallen in het bezoeken van allerlei bekende leuke musea,
lieten we het lot bepalen met welk museum er begonnen zou worden. Vervolgens hebben we
steeds elke tiende instelling genomen. Door deze manier van selecteren bezochten we ook een
aantal kleine musea. Dat is belangrijk want de grote krijgen toch
al vaak aandacht. Ze zijn vaker open en hebben meer geld om een
goede presentatie te verzorgen.
Om ze in eenzelfde periode te kunnen vergelijken, hebben we
ervoor gekozen om al deze musea in een korte tijdspanne te
bezoeken. Het is een momentopname, voor het ene museum pakt dat
beter uit dan voor het andere. Toch is een enkel bezoek niet
zomaar een momentopname; veel zaken zijn structureel en iemand
die gewend is erop te letten, ziet dat allemaal tamelijk snel.
Een aantal van de geselecteerde musea konden alleen op afspraak
bezocht worden, sommigen zelfs alleen én op afspraak én in een
groep. Soms gaan mensen gericht naar een museum, maar vaak is
het ook een spontaan bezoek. Op afspraak heeft nogal wat nadelen: het is nooit vrijblijvend.
Als iemand speciaal komt om het museum te openen kun je na vijf minuten niet zeggen dat
het
museum je tegenvalt, dat je iets anders verwacht had. Je bent
dan min of meer verplicht `te genieten' want men doet het museum speciaal voor jou open.
In het algemeen vonden de bezoeken minimaal zo'n 10 tot 15
minuten na openingstijd plaats. Het onderzoek is uitgevoerd
door steeds dezelfde medewerker van Stichting Kijken, dit om de
verschillende musea goed te kunnen vergelijken.
de criteria:
In de museumgids zijn naast musea ook oudheidkamers, bezoekerscentra en allerlei andere
instellingen opgenomen. Op het
eerste zicht lijkt het onmogelijk om die allemaal "over één kam
te scheren". Alleen al het verschil tussen de musea zelf. Ons
onderzoek richtte zich echter op de publieksvriendelijkheid en
op dat gebied zijn de instellingen, ondanks hun verscheidenheid, goed te vergelijken.
voorafgaande aan het bezoek:
Als uitgangspunt hebben wij de `gewekte verwachtingen'
genomen. Als informatiebron zijn wij uitgegaan van de Museumjaargids; naar onze mening de
belangrijkste informatiebron voor
wie wel eens een museum wil binnenstappen.
De gegevens in de gids geven een redelijk goed beeld van wat
men kan verwachten. Voor onze beoordeling zijn wij niet alleen
uitgegaan van de informatie die in de gids stond, ook de aan
blik van het museum zelf telde mee. Het blijft natuurlijk wel
zo, dat iemand die van ver komt om een bepaalde collectie te
zien, al een hele reis heeft gemaakt. Ook al ziet het museum er
troosteloos uit, dan nog gaat zo iemand binnen, na zijn verwachtingen te hebben aangepast.
op weg:
Een ander belangrijk punt was hoe goed het museum te vinden
was. Dit is evenwel zelden iets waar het museum alleen voor
verantwoordelijk is. Vaak ligt het aan het gemeentelijk beleid,
maar wanneer een museum moeilijk te vinden is, is dat niet
publieksvriendelijk. In de beoordeling weegt het wel mee, maar
niet altijd even zwaar.
aangekomen:
Bij binnenkomst is het van belang dat men een goed overzicht
heeft van wat er te beleven zal zijn. In principe dient er
altijd beknopte informatie beschikbaar te zijn, op basis hier
van kan men dan beslissen om al of niet het museum te bezoeken.
In grotere musea hoort er altijd een plattegrond aanwezig te
zijn. Op die plattegrond dient aangegeven te staan waar de
nooduitgangen zijn, de toiletten, en wat er waar te zien is.
Belangrijke onderdelen van de collectie dienen te zijn vermeld.
Uiteraard horen er toiletten te zijn waar je naartoe kunt vanaf
de plaats waar je aankomt. Voor mensen die al een tijdje onder
weg zijn is dat wel eens nodig.
entreeprijzen:
De entreeprijzen van de diverse instellingen lopen erg uiteen.
Dit heeft vaak te maken met het al of niet krijgen van subsidies. Ons uitgangspunt is dat hoe
meer men moet betalen, hoe
publieksvriendelijker het moet zijn.
Een museum dat aan het verbouwen is, of waar een belangrijk
deel van de vaste collectie (tijdelijk) niet te zien is, dient
korting te geven. Mensen komen speciaal voor die collectie, bij
aankomst heeft men vaak al een hele reis achter de rug en men
gaat niet graag terug zonder iets gezien te hebben. Het Theatermuseum te Amsterdam had een
verbouwing, maar dat stond én in
de gids én de mensen mochten gratis binnen. Vlak voor het Museumweekend waren er
in het museum De Ghulden Roos te Roosendaal een aantal (belangrijke) zalen afgesloten en
men gaf geen
korting aan de bezoekers. Dat vinden wij onjuist.
kinderen:
Een museum dat kinderen laat betalen moet ook iets te bieden
hebben voor die kinderen.
het personeel:
De manier waarop je door de baliemedewerkers behandeld wordt is
van zeer groot belang. Rokende baliemedewerkers vinden wij niet
passen, een instelling hoort ook toegankelijk te zijn voor
niet-rokers en mensen die last hebben van rook.
Beoordeeld wordt of het personeel vriendelijk is, uit zichzelf
informatie en folders verschaft en op de hoogte is van wat er
tentoongesteld wordt.
de presentatie en indeling:
Bij het onderzoek is niet gelet op de waarde van de collectie
of van het tentoongestelde, maar op de manier waarop er gepresenteerd is.
Er is bekeken of de tekstbordjes goed leesbaar staan opgesteld,
of de teksten in een begrijpelijke taal zijn geschreven en hoe
verzorgd de etalages zijn ingericht. Er is ook gekeken naar de
verlichting en dan vooral of die voldoende is om de teksten te
kunnen lezen en of men de tentoongestelde objecten goed genoeg
kan zien.
In de praktijk blijkt dat veel musea op deze punten enorm te
kortschieten. Teksten dienen ter aanvulling van het tentoongestelde. Herhaaldelijk komt het
omgedraaide voor: dat het
tentoongestelde dient ter illustratie van de teksten.
Uiteraard is er ook gekeken naar de logica in de presentatie en
hoe men vanuit de genomen presentatiekeuze bepaalde specifieke
problemen heeft opgelost. Ter illustratie het volgende voor
beeld: indien men kiest voor een chronologische presentatie dan
hoeft er niet bij elk voorwerp te staan uit welk jaar het is.
Kiest men voor een niet chronologische presentatie dan kan die
aanvullende informatie w‚l belangrijk en noodzakelijk zijn. Uit
welk jaar iets komt is in het eerste geval duidelijk vanuit de
opstelling, in het tweede geval is dat niet duidelijk.
Kiest men voor een chronologische opstelling dan is het functionele niet altijd duidelijk en
moet men die informatie toevoegen. Kiest men voor een functionele opstelling dan kan het
zijn
dat de oudheid van een voorwerp aangegeven moet worden. Het is
niet altijd mogelijk om én een functionele én een chronologische opstelling te
realiseren. Dan moet men kiezen, wat ook
weer het leuke van het vak is.
Tot slot is er bij de beoordeling rekening gehouden met de
manier waarop een museum gebruik heeft gemaakt van de typische
tentoonstellingsmogelijkheden. De sterke kant van een tentoonstelling is dat men iets niet
alleen kan zien, maar ook kan
horen, ruiken en voelen.
Bij de musea die gerechtigd zijn het internationaal toegankelijkheidssymbool voor
gehandicapten te voeren hebben wij ook
gekeken of men bij de inrichting wel voldoende rekening heeft
gehouden met rolstoelgebruikers.
Onderzoek II
Speciaal voor dit onderzoek vroeg Stichting Kijken een twintig
tal vrijwilligers om een tijdlang, na elk museumbezoek, een
vragenlijst in te vullen.
Wij vroegen hun te letten op de volgende zaken:
algemeen: de reden van het bezoek en hoe men aan de informatie
was gekomen.
voorafgaande aan het bezoek:. hoe de informatieverstrekking
vanuit het museum was.
het bezoek zelf: hoe het museum aangegeven is, of je er makkelijk komt,
of je je kunt oriënteren voordat je binnengaat, of
je met een kinderwagen binnen kunt etc..
in het museum zelf: is er bij de ingang een plattegrond te zien
zodat je je een beetje kunt oriënteren en je je tijd kunt indelen? Ziet het er verzorgd uit,
zijn de tekst-bordjes duidelijk
en begrijpelijk?
over de kindvriendelijkheid: zijn er speciale objecten voor
kinderen, is er een speciale kinderhoek, kunnen kinderen makkelijk dingen omver lopen,
kunnen ze zich verwonden, kunnen ze
aan dingen komen waar ze niet mogen aankomen, zijn de stopkontakten kinderveilig
etc..
de pauze: is er een koffiehoek, zijn de prijzen en de kwaliteit
redelijk, zijn de toiletten goed aangegeven, is er voldoende
zitruimte, zitten rokers samen met niet-rokers etc...
de evaluatie: is het bezoek je meegevallen, hoe lang wilde je
blijven en hoe lang ben je gebleven, hoe vonden de kinderen
het...
Hieronder de volledige vragenlijst.
museum:
bezocht:
buiten
1 aanwijzigingen in de stad (of het dorp)
2 in de straat
3 klopt de bus/tramhalte?
4 parkeergelegenheid? fietsenstalling?
5 ingang makkelijk te vinden?
binnen
1 betaalde toegangsprijs
2 is er kinderkorting?
3 vriendelijke loketbediening?
4 is er ruimte om te acclimatiseren?
is er een garderobe en een toilet voor binenkomers?
5 goed toegankelijk voor rolstoelgebruikers?
6 is er ruimte om je te oriënteren alvorens je moet betalen?
7 is er informatie beschikbaar over het tentoongestelde
- om te kopen
- om mee te nemen (gratis)
- om te huren (zoals een walkman)
- om te gebruiken (na afloop terugleggen)
8 Is er speciale informatie voor kinderen?
9 " " " " voor ouders met kinderen?
10 Mag je met een kinderwagen binnen?
tentoonstelling
1 is het duidelijk waar wat te zien is?
2 is er een goed onderscheid tussen R, A, B en C teksten?
3 zijn de tekstbordjes uniform en duidelijk te lezen (kinderen, gehandicapten)?
4 is de opstelling verzorgd en bijgehouden?
5 zijn er mensen die uitleg geven over de collectie/tentoonstelling?
6 is het materiaal logisch gerangschikt?
7 zit er een duidelijke lijn in?
8 was het loopplan duidelijk?
9 is de opstelling een beetje praktisch?
10 zijn er ook dingen om te doen, om aan te raken?
10 lopen er mensen te roken waar dat niet mag?
over de kindvriendelijkheid
1 zijn er wegwijzers voor kinderen?
2 zijn er speciale objecten voor de kinderen
3 heeft het museum een dump(speel)hoekje, crèche? wat houdt die in?
4 zo ja, wat ligt daar om de kinderen bezig te houden?
5 zijn de teksten opgesplitst in teksten voor de verschillende leeftijden?
6 zijn er objecten die gemakkelijk omgestoten kunnen worden?
7 kunnen kinderen makkelijk bij dingen waar ze niet aan mogen komen?
8 zijn er dingen waaraan kinderen zich kunnen verwonden?
9 elektrische apparatuur, draden zijn die veilig?
10 ook voor kruipende kinderen?
11 is de opstelling zodanig dat kleine mensen alles goed kunnen zien?
12 is er voldoende zit/pauze ruimte?
13 de suppoosten, hoe reageren die op vragen van kinderen?
14 is er in elke zaal een wegwijzer naar de dichtstbijzijnde toiletten?
15 klopt die aanduiding?
de faciliteiten
1 zijn de toiletten fatsoenlijk?
2 is er gelegenheid tot het drinken van koffie & het eten van een hapje? en
wat zijn de openingstijden van het eet- drinkgedeelte?
3 hoe zijn de prijzen en hoe is de kwaliteit
koffie:
pils:
cola:
broodje ham:
broodje kaas:
4 hoe is de diversiteit van het aanbod?
5 is er een gescheiden eethoek voor rokers?
6 is er in de zitruimte informatie beschikbaar over de collectie/ tentoonstelling?
na afloop
1 zijn er brochures, kaarten e.a. dingen te koop?
2 is er een bibliotheek, wat is het aanbod?
3 is er al informatie over de komende activiteiten?
4 is er informatie over andere aan te bevelen tentoonstellingen?
Deel V - Evaluatie museum onderzoek
Ons onderzoek spitste zich toe op de vraag hoe publieksvriendelijk de Nederlandse musea zijn
(ingericht).
Het blijkt dat (ook grote) musea bij het herinrichten van de ruimtes niet altijd de
verwijsbordjes
naar de dichtstbijzijnde toiletten veranderen. Dat zijn geen grote museale tekortkomingen.
Maar een klein kind dat, in de overgangsfase van luiers naar zonder, ineens naar de wc moet
heeft maar weinig tijd om een verdere natte dag te voorkomen.
Het rekening houden met vooral dit soort behoeften van het publiek is geen hoofdvak voor
aankomende museummedewerkers. Die houden zich hoofdzakelijk bezig met de museale
collecties.
Voor de museumbezoeker zijn er weinig mogelijkheden om ervaringen kenbaar te
maken.
Behalve als bijvoorbeeld de Efteling iets doms doet door extra uren open te zijn en daar veel
publiciteit voor maakt. Wanneer dan vervolgens het in grote getale toestromende publiek voor
allerlei gesloten attracties komt te staan; dan haalt d t nog wel eens de krant. Zelden horen we
iets van al die mensen die regelmatig voor een gesloten deur moeten hebben gestaan. Tijdens
het onderzoek bleek bijna 10% van de bezochte musea gesloten te zijn, terwijl ze volgens de
museumgids (Nederland Museumland, een uitgave van de Stichting Museumjaarkaart en
Inmerc) open hoorden te zijn. En daarbij ging het niet alleen om kleine obscure museumpjes,
ook bij ons bezoek aan de catacomben te Valkenburg troffen wij een gesloten deur aan met
een
papiertje "gesloten wegens omstandigheden".
In een aantal gevallen ligt er een "gastenboek". Afhankelijk van de plaats waar dat boek ligt
staat er nuttige informatie in. Als het bij de balie ligt en de medewerker verzoekt je
vriendelijk,
vaak zelfs al bij binnenkomst, om je naam en eventuele opmerkingen op te schrijven, dan
staat
er zelden iets interessants te lezen. Boeken die halverwege een tentoonstelling liggen bevatten
veel betere informatie. Het publiek heeft er in het algemeen een uitstekende kijk op.
Conclusies en resultaten:
"Ga eens op ontdekking in een museum en laat je verrassen", dat deden we. Het eerste dat we
mochten vaststellen was dat je "vanuit je huiskamer met behulp van de museumgids" geen dag
kunt plannen. De gids geeft weliswaar goede informatie, maar ze is enerzijds onvoldoende en
anderzijds zijn er verschillende musea die het belang van een dergelijke gids niet voldoende
onderkennen.
Het publiek hoort er toch op te kunnen rekenen dat instellingen zich houden aan de in de gids
vermelde openingstijden en toegangsprijzen. Zoals u hierboven al kon lezen, bijna 10% van
de
bezochte musea waren niet open op momenten dat ze volgens de gids open zouden moeten
zijn. Slechts één museum had een legitieme reden om dicht te zijn: het was
afgebrand. Het
Kinderboekenmuseum in Winschoten was dicht "wegens de warmte". Het mag toch wel
bekend verondersteld worden dat het in de zomer erg warm kan worden. Als je museum daar
niet op berekend is, dan laat je in de gids opnemen dat het museum gesloten is bij
temperaturen
van boven de 30 graden.
Het komt ook regelmatig voor dat prijzen tussentijds verhoogd worden en ook dat is iets dat
men toch wel ruim van te voren besluit. Als mensen dan met een groep kinderen naar een
museum gaan, kunnen er problemen ontstaan. Kinderen hebben van huis geld meegekregen
voor de entree en voor een blikje drinken. Als de entree een kwartje of een gulden duurder is,
kunnen die kinderen hun drinken wel vergeten.
Collectie- of didactisch museum?
Nederland heeft vele en prachtige musea, en het is vaak erg leuk om er met (je) kinderen
naartoe te gaan. Helaas wordt er in de gids geen onderscheid gemaakt tussen `didactische' en
`collectie'- musea. Het zien van 200 soorten schroevedraaiers kan voor de verzamelaar erg
interessant en boeiend zijn, de meeste kinderen hebben het na 10 schroevedraaiers wel gezien.
Men vergeet ook regelmatig dat de aanblik van een mooi opgesteld schaakspel niet
onmiddellijk leidt tot inzicht in het spel als zodanig.
De goed geleide promotie, richting groot publiek, heeft tot gevolg dat bijna alle instellingen
zich zijn gaan richten op "een breed" publiek. Dat is jammer, onnodig en het leidt regelmatig
tot teleurstelling bij het publiek. Een museum hoort zijn collectie te ontsluiten in de richting
van het publiek dat belang heeft bij het bestaan van die collectie.
Het Internationaal Bodemkundig Museum te Wageningen is uitsluitend interessant voor
mensen die daar al veel van afweten. In de gids staat dan ook terecht te lezen dat "een deel van
de collectie in de expositie te bestuderen is". Dat is duidelijk en leidt niet tot misverstanden.
In
de kelders van het stadhuis te Losser zijn ook bodemvondsten te zien. In de gids staat dat de
`vaste collectie' bestaat uit versteend hout, oesters e.d.. Het suggereert dat er nog iets anders is
dan een vaste collectie. Het blijkt echter dat men een aantal vitrines gevuld heeft met fossielen
zonder enige wezenlijke toelichting opdat de collectie voor een breed publiek interessant zou
zijn.
"Gids langs meer dan 1000 musea in Nederland". Ten behoeve van de jaarlijks te verschijnen
gids "Nederland Museumland" sturen de instellingen informatie op. In principe kan iedereen
zich `museum' noemen en komt men vervolgens in de gids. Staat men in de gids als `museum'
opgenomen, dan krijgt men in het dorp ook een wegwijzer. Dat is leuk en zo staat het
Kachelmuseum te Boekel al jaren in de gids; 't is een mooie gerestaureerde boerderij en het
ziet
er allemaal heel verzorgd uit, maar praktisch alle kachels uit het museum zijn gewoon te koop.
Zo kan elke antiquair zich laten opnemen in de gids en dat lijkt ons niet de bedoeling.
Een bijna soortgelijk geval is het Schultehuis in Diever. Een kamer, museum genoemd,
ingericht als extra showroom van de plaatselijke antiquair. Geen enkele aanduiding maar wel
allerlei reclamedisplay's. Ook voor groepen op afspraak te bezoeken.
Dit laatste is ook iets typisch. Bijna alle musea zijn "voor groepen op afspraak" te bezoeken.
Ook het "Jaques van Mourik" in Mook, ondergebracht in een voormalige koelcel van 1,5 x 2
meter waar je niet eens in kunt omdat er bij de deur een hekje staat. Er zijn daar in Mook best
leuke dingen te zien, maar als er amper plaats is voor twee mensen ga je toch geen `groepen'
op het idee brengen langs te komen. Een instelling dient zijn beperkingen te kennen.
Niet aanraken
Het meest tentoongestelde voorwerp in het Rijksmuseum en, zo bleek uit ons onderzoek, ook
in de andere musea is het bordje "Niet Aanraken". Mensen komen naar een museum om de
dingen `in het echt' te zien. En met `zien' wordt dan ook bedoeld voelen en ruiken. Dat is van
wezenlijk belang om dingen te leren kennen: voelt het zacht, ruw, warm of koud aan; voelt het
zwaar aan, ruikt het ergens naar. Musea spelen daar véél te weinig op in;
zowat
overal is het
verboden het tentoongestelde aan te raken en waarom?
Gasttentoonstellingen en schenkingen
Er zijn veel redenen om een gasttentoonstelling te plaatsen: om extra volk te trekken, om extra
publiciteit te krijgen, om de vaste bezoekers iets extra te laten zien. Vaak ook omdat het
museum de enige tentoonstellingsruimte in de buurt is etc.. Helaas sluiten die
gasttentoonstellingen vaak slecht aan bij de vaste collectie of bij de algehele vormgeving en
opzet van het
museum. Dit gaat dan ten koste van het kunnen genieten van de vaste collectie.
Een nog erger kwaad zijn soms de schenkingen. Bij het verdelen van de erfenis wil het nog al
eens gebeuren dat de overledene een verdienstelijk amateurschilder was en dat betekent dan
een nalatenschap van enkele honderden schilderijtjes. Nadat iedereen een keuze heeft gemaakt
blijft er nog een heleboel over. De plaatselijke en ook de verderop gelegen galerie ziet er geen
omzet in en wat moet je dan met die berg beschilderd linnen? De oplossing is simpel: je
schenkt
het aan een museum. Die zien er meteen de historische en culturele waarde van en in het
museum komt er een aparte ruimte voor de schenking van de familie x. Of het nu om
schilderij
tjes of tabaksdozen gaat, het lijkt altijd zo mooi dat je als museum iets krijgt, maar men zou
eens wat vaker iets moeten weigeren. Alleen die schenkingen aanvaarden die passen binnen
het
museum. Een groot deel van de schenkingen uit het verleden zou men terug kunnen geven of
schenken aan een museum met een collectie waarbinnen het legaat past.
Het is vooral te danken aan die schenkingen in gasttentoonstellingen dat het vaak zo'n
onoverzichtelijk rommeltje is. In een museum is er meestal ruimtegebrek. Men moet leren
keuzes te
maken. Hoe groot het museum ook wordt: er zal altijd meer materiaal zijn dan ruimte.
Eindconclusie
Op drie belangrijke punten schieten de meeste instellingen behoorlijk te kort.
Op de eerste plaats is er voor mensen die een didactische tentoonstelling kunnen maken nog
een vracht werk te doen. Dat geldt op de tweede plaats, ook voor goede tekstschrijvers. Op de
derde plaats zouden veel instellingen, en dan met name musea, er zich eens moeten bezinnen
op welke doelgroep ze zich nu precies wensen te richten.
Er is een wereld van verschil tussen "U mag blij zijn dat u mag komen kijken" en " Wij zijn
blij
dat u komt kijken". Musea zijn er voor het publiek en niet omgekeerd. Tegenvallende
bezoeken leiden zelden tot het enthousiasme om meer musea te bezoeken. Bezoekers die
gericht
komen, zijn gauw tevreden omdat zij niet echt toelichting behoeven, of omdat ze eens kunnen
praten met iemand die dezelfde belangstelling heeft. Een instelling is er echter niet alleen voor
de mensen die al veel waardering en inzicht in het aanbod hebben. De gezamenlijke
propaganda
is er op gericht om meer mensen binnen te krijgen, men richt zich duidelijk op een breder
publiek. Voor veel instellingen is het daarom hoog tijd om eens goed na te denken over wat
men nu eigenlijk voor welke doelgroepen wil brengen.
Tot slot nog de opmerking dat het aandeel van de vormgevers best mag teruggebracht worden;
die zijn vaak teveel met mooie dingen bezig en te weinig met het publiek. De meeste mooi
vormgegeven tentoonstellingen zijn naar de bezoeker toe erg onduidelijk. De stelling dat
mensen best wel wat moeite mogen doen, gaat slechts in één zin op: nieuwe
dingen zien en tot
je nemen is uitermate vermoeiend. Als je dan al moe wordt van het doorkauwen van teksten
en
het zoeken naar wat er bedoeld wordt, dan is dat jammer. De energie die dat allemaal kost,
kun
je niet meer gebruiken om datgene in je op te nemen waarvoor je eigenlijk kwam: de collectie
van het museum.
Wat er zou kunnen veranderen
:
aan de museumgids
:
De museumgids is een bijzondere en nuttige bron van informatie over de verschillende musea
en andere er in opgenomen instellingen. Wil men echter de reclame slogan waarmaken, dat je
met behulp van de gids vanuit je stoel een dagje museumbezoek kunt plannen, dan zal de gids
toch meer informatie moeten opnemen. Dit kan heel eenvoudig middels logo's.
didactische musea versus collectiemusea
Op de eerste plaats zou men een onderscheid in kunnen voeren tussen C(ollectie)-musea en
D(idactische) musea. Bij collectiemusea kan men nog vermelden of er opstellingen zijn of
niet,
vooral deze laatsten zijn meestal minder geschikt om er met een gezin naar toe te gaan.
Een opstelling laat zien hoe de dingen zich tot elkaar verhouden; tien verschillende
voorwerpen
uit een aangrenzend tijdvak hoeven niet bij elkaar te horen. In een opstelling wordt dat
duidelijk.
interessant voor kinderen:
Musea zouden ook duidelijk moeten aangeven of het museum geschikt is voor K(inderen).
Verschillende musea zijn dat beslist niet. Het is niet leuk voor die kinderen, want ze vervelen
zich en gaan lastig doen (kortom het enige wat ze er van opsteken is dat musea vreselijk zijn)
en het is vervelend voor de andere bezoekers.
Wanneer is een museum voor kinderen geschikt? Op de eerste plaats dienen er een duidelijke,
voor kinderen geschreven, brochure en een loopplan te zijn. Vervolgens is er een aparte
brochure nodig voor begeleiders. Tot slot moet er ook iets zijn waar kinderen door middel van
een eigen activiteit het tentoongestelde beter kunnen leren kennen.
Dat zijn minimale eisen. Een museum dat hier niet aan voldoet hoort kinderen ¢f niet, ¢f
gratis
toe te laten. Bedenk echter dat het voor andere bezoekers bijzonder onprettig is wanneer er
kinderen rondlopen die zich vervelen.
museumgrootte:
Wie vanuit zijn stoel een bezoek wil plannen, moet toch enigszins kunnen inschatten hoe lang
men in dat museum gaat vertoeven. De gids geeft daar momenteel geen enkele indicatie van.
Zo kan het gebeuren dat je in een museum terecht komt waar je binnen enkele minuten alles
gezien hebt, maar het kan ook het tegenovergestelde zijn. Men zou kunnen stellen dat dat nu
juist het leuke, het verrassende is, maar het verrassende hoort te liggen in het aanbod en niet in
het feit dat je al na vijf minuten buiten staat. De museumgrootte kan heel eenvoudig in
vloeroppervlakte weergegeven worden. Een klein museum heeft dan bv een vloeroppervlakte
van
minder dan 100 m2. Wanneer alle musea hun grootte hebben doorgegeven, kan bepaald
worden wanneer een museum als klein beschouwd moet worden, wat een middelgroot en wat
een groot museum is. De potenti‰le bezoeker kan dan beter een oordeel vormen over de
tijdsduur waarin hij in een museum kan vertoeven. Een museum dat autobussen tentoonstelt,
maar over een klein vloeroppervlak beschikt, kan leuk zijn maar veel autobussen verwacht je
dan niet. In de praktijk blijkt overigens dat musea vaak veel groter zijn dan je verwacht had,
en
dan heb je tijd tekort, wat wel eens jammer is als het gaat om een museum waar je niet zo
makkelijk komt.
ligging museum:
Een museum ligt in het C(entrum) of erbuiten. De routeaanduidingen verschillen nogal wat
per
gemeente. Het scheelt al behoorlijk als men op voorhand weet of men in het centrum moet
zijn
of niet. Zowel voor degene met de auto als degene die met de fiets op stap gaat is dat nuttige
informatie. Wie bijvoorbeeld in Hippolytushoef op zoek gaat naar het volgens de gids aldaar
gevestigde museum "Jan Lont" kan lang zoeken, want het museum ligt in de buurgemeente
Stroe. Mogelijk woont het bestuur in Hippolytushoef maar het museum bevindt zich zo'n vijf
of zes kilometer verderop.
museumnummering:
Als er in één plaats meerdere musea zijn zou men de musea kunnen
nummeren
in de gids, dit in
aansluiting op onze aanbevelingen richting gemeenten.
register op onderwerp:
Toen de SDU de nederlandse museumgids uitgaf, had de gids achterin een register op
onderwerp. Sinds de Stichting Museum JaarKaart de gids uitgeeft is dit register verdwenen en
dat is
erg jammer. Zo veel werk kan het niet zijn om de instellingen drie onderwerpen te laten
opgeven waaronder ze gerangschikt willen worden. Voor de gebruiker zou zo'n register
bijzonder prettig zijn, want nu worden misschien wel musea over het hoofd gezien die erg
interessant zijn.
in de musea:
niet aanraken:
Het Rijksmuseum ontvangt miljoenen bezoekers en als al die mensen aan dezelfde
voorwerpen
gaan `voelen' dan slijten ze. Vandaar dat wij hun adviseerden om bij de ingangen van het
museum een voelplaat op te hangen. Die plaat dient te bestaan uit stroken van verschillende
materialen zoals papier, hout, beschilderd doek en steen. De helft van die plaat dient bedekt te
zijn met plexiglas.
Iedereen die binnenkomt kan dan voelen hoe die verschillende materialen aanvoelen. Doordat
de helft bedekt is, ziet het publiek ook duidelijk het gevolg van miljoenen vingertjes die iets
betasten. Ouders kunnen dan tegen hun kinderen zeggen; "Kijk, zo hard slijten die dingen als
iedereen er aan komt". Dat is een stuk publieksvriendelijker dan alleen maar de aanwezigheid
van suppoosten en bordjes. Wij adviseerden overigens ook om doorheen het museum kleinere
voelplaten op te stellen. Bij bepaalde voorwerpen is het heel prettig om ze eens te voelen. Er
is
een groot verschil tussen gepolijst en gevernist hout, het blinkt alle twee maar het voelt heel
anders aan.
In het Rijksmuseum komen miljoenen bezoekers. In veel andere musea zijn dat er beduidend
minder. De bordjes "Niet Aanraken" zijn dan vaak ook overdreven en zelfs storend. Een
arduinen steen, of een eiken kast van enkele honderden jaren oud zal heus niet kapot gaan van
vingertjes die eraan komen. Waarom zou je vijfhonderd soortgelijke voorwerpen afgeschermd
moeten bewaren? Mogelijk dat de helft ervan stuk gaat doordat al die mensen het bevoelen,
maar ben je dan met die collectie niet veel zinvoller bezig geweest? Tenslotte mag men zich
de
vraag stellen waarom die voorwerpen allemaal bijgehouden worden, toch niet alleen om er
naar
te kijken, want dan volstaan foto's of replica's net zo goed.
Zeker gezien het gemiddelde aantal bezoekers in de kleinere musea hebben zure regen,
vochtige lucht en andere invloeden, waarschijnlijk meer invloed op de slijtage van veel
museumcollecties. Als blijkt dat men altijd aan hetzelfde stuk voelt, zoals bijvoorbeeld die
wereldbol in
Haarlem, dan kan men dat ene stuk beschermen. Uit de grote hoeveelheid stukken die men
meestal heeft, kan men ook niet of nauwelijks te restaureren voorwerpen, waar het publiek
dan
wel aan mag voelen, in het museum plaatsen.
op weg naar het museum:
wegwijzers:
In zowat elke stad of dorp zijn er wegwijzers, helaas zijn die niet uniform. Ze staan meestal
ook op gevaarlijke kruispunten, zodat het erg moeilijk is om ze `even' te lezen. Soms staan er
wel zo'n twintig of meer richtingen op aangegeven.
Dit zou gestandariseerd moeten worden. Bij het inrijden van het dorp op enkele borden aang
even: voor de bibliotheek moet u dit logo volgen, voor het museum moet u dat logo volgen,
enzoverder.
Per kruispunt hoeft men dan alleen nog maar het logo aan te geven. Dit is heel belangrijk,
want
nu zoek je je suf naar de wegwijzers. Als je eindelijk gevonden hebt wat je zocht, heb je de
neiging daar af te slaan, soms ook zonder op het verkeer te letten.
Men vergeet toch wel erg vaak dat veel mensen al autorijdende zoeken naar een museum. Als
dat niet duidelijk is aangegeven, kan dat leiden tot gevaarlijke verkeerssituaties.
Het is leuk om museumbezoek te promoten, maar dan dient men zich er ook goed rekenschap
van te geven dat zo'n reclame-actie consequenties heeft: je bent ook verantwoordelijk voor de
bezoeker op weg naar het museum. Wie een ongeluk heeft gehad tijdens het zoeken naar het
museum zal niet zo snel weer eens gaan "zoeken".
De opmerkingen: "Dan vraag je het toch even want iedereen weet toch waar ons museum is"
duidt niet zelden op zelfoverschatting.
Naschrift
Het onderzoek vond plaats in 1995, ondertussen al heel wat jaartjes geleden. Het zou
uitermate interessant zijn om bijvoorbeeld dezelfde musea opnieuw te bezoeken en te kijken
inhoeverre de situtuatie veranderd is. Destijds is het onderzoek naar verschillende instellingen
verstuurd. Sommige instellingen reageerden in eerste instantie heel enthousiast en daar is het
dan vervolgens, voor zover ons bekend, bij gebleven.