Algemene Basisopleiding Tentoonstellen
door © Roby Bellemans
tekst cursusboek
OPGELET:
Deze tekst mag uitsluitend voor eigen gebruik afgedrukt worden. Het is niet toegestaan om
zonder toestemming delen ervan op de een of andere manier te publiceren.
Helaas voor ons dachten de uitgevers dat er een te kleine doelgroep was voor het handboek
waardoor het drukken ervan commericeel gezien niet interessant was. En wij vonden het weer
jammer van het vele werk wanneer er niets met gedaan zou worden.
Vandaar ons besluit om het handboek dan maar integraal op internet te zetten. U hoeft dus
niets te betalen voor het gebruiken van dit materiaal, maar dit betekent niet dat u er geen
vergoeding voor mag geven.
Qua vergoeding mag u denken aan een bedrag tussen de 10 en 25 euro. Instellingen die het
handboek als lesmateriaal willen gebruiken kunnen ook een dergelijk bedrag per kopie aan
ons
overmaken. Met die inkomsten kunnen wij weer leuke andere dingen bedenken en
uitvoeren.
De vergoeding kunt u storten op onze girorekening 216886 o.v.v. cursusboek
tentoonstellen.
Terug naar
homepage
deze site bevat 3b
Deel I beleid & marketing:
1 de verschillende manieren om met tentoonstellen bezig te zijn
2 marketing
3 het beleid bepalen
4 een beleidsplan opstellen
5 promotie en publiciteit
Deel II: zakelijk:
1 de zaken
2 contracten
3 het auteursrecht
4 verzekering
5 im- en export
Deel III-A: de
tentoonstelling
1 concept tentoonstelling
2 presentatie
3 het loopplan
4 de verschillende manieren van tentoonstellen
Deel III-B: de
tentoonstelling
1 maquettes en modellen
2 de verlichting
3 presentatiemiddelen
4 ophangsystemen
5 teksten
Deel III-C: de
Tentoonstelling
1 het werkplan
2 de begroting
Deel IV-A: de
werkzaamheden
1 de intake
2 ingelijst werk
3 tentoonstellen in een andere ruimte
4 transport
Deel IV-B: de
werkzaamheden
1 tijdens de tentoonstelling
2 na de tentoonstelling
3 het archief
Deel V: uit de praktijk
1 een onderzoek
2 evaluatie
met dank aan de volgende mensen voor hun bijdragen en adviezen:
Deel I: Gerrit Staal (marketing director Philips International),
Deel II: Jan Bartz (gevolmachtigde verzekeringsmij Nieuw-Rotterdam), Willem Sleijster
(hoofd douanekantoor Terneuzen).
Deel III-B: Wim Clarijs (maquettebouw),
Deel IV-A: Muskie Engels (kunsttransport),
Deel III- b- De tentoonstelling
1 maquettes en modellen
2 de verlichting
3 presentatiemiddelen
4 ophangsystemen
5 teksten
III-B Maquettes en modellen
De maquette als hulpmiddel bij het organiseren van een tentoonstelling.
Inleiding
Bij het inrichten van een tentoonstelling, is het belangrijk een goed overzicht te hebben van de
ruimte waarin tentoongesteld gaat worden.
Om de mogelijkheden van de tentoonstelling ten volle te benutten, is het goed vooraf te weten
hoe de ruimte er 'kaal' uitziet: welke afmetingen heeft ze, is er sprake van een natuurlijke
lichtval (ramen) of van kunstlicht of van beide? Welke mogelijkheden zijn er om materiaal op
te hangen, aan wanden te bevestigen of in de ruimte te plaatsen?
Het maken van een eenvoudige maquette, kan een goed hulpmiddel zijn. Op schaal (gewoon
lijk 1:20 of 1:25) kunt u de werkelijke ruimte nabouwen om er, eveneens op schaal, de invul
ling aan te geven.
Maak geen uitgebreide maquette; het gaat er hier alleen maar om een overzicht te verkrijgen
van de te gebruiken ruimte en de mogelijke invulling ervan.
Ook een eventuele opdrachtgever zal een maquette op prijs stellen: in een oogopslag kan hij
zo
uw interpretatie van zijn opdracht voor zich zien.
Terwijl u de maquette bouwt, kunt u bepaalde idee‰n over de tentoonstelling al toetsen:
- Is het haalbaar?
- Welke afmetingen kan ik gebruiken voor panelen, vitrines en objecten?
- Hoeveel kan ik er plaatsen?
- Hoe gaan die onderdelen eruit zien?
- Welke kleuren ga ik gebruiken?
Allemaal concrete vragen die u 'thuis' al kunt beantwoorden, zodat u niet voor verrassingen
zult komen te staan. Bovendien krijgt u al enig inzicht in het materiaal dat u wilt gaan gebrui
ken, de materiaalkosten en de wijze waarop u een en ander wilt gaan aanpakken.
Idee‰n over objecten, vitrines, panelen en dergelijke zullen voor uw ogen vorm beginnen te
krijgen. Het is raadzaam deze idee‰n direct op schaal concreet uit te werken. In zo'n geval
spreken we niet meer van een maquette, maar van een 'model'. Een model is een getrouwe,
driedimensionale weergave van een voorwerp. Meestal op schaal 1:5 of 1:10.
Met deze twee uitgangspunten: de overzichtsmaquette en het model moet u in staat zijn het
tentoonstellingsplan concreet te maken, zowel voor uzelf als voor eventuele opdrachtge
vers.
In vervolgartikelen zullen we dieper ingaan op het maken van een maquette en het model.
Het eerste artikel zal gaan over het uitgangspunt: de plattegrond en de direkte consequenties
ervan.
Het tweede artikel betreft de praktijk: het maken van een maquette. Het derde artikel gaat over
hoe u een model kunt maken.
De plattegrond
De beste manier om een goed overzicht van een tentoonstellingsruimte te krijgen is door
middel van een plattegrond.
Een plattegrond zowel van het gebouw als van de ruimte(s) waarin de tentoonstelling zal
plaatsvinden.
Tevens is het belangrijk te kunnen beschikken over een beschrijving waarop de indeling
(nummering, benaming, enz.) van alle ruimten staat.
Probeer een bestaande plattegrond van de expositieruimte te krijgen. Is deze er niet, teken hem
dan zelf.
Dat wil zeggen: de ruimte moet worden opgemeten en op schaal worden uitgetekend.
De plattegrond geeft een aantal belangrijke zaken aan:
- de lengte- en breedtematen van de ruimte.
- de in-, uit- en doorgangen van de ruimte.
- de te gebruiken in-, uit- en doorgangen van de ruimte.
- de (eventuele) plaatsen van natuurlijke lichtinval.
- het gebruikte wandmateriaal (steen, hout, gips).
- eventuele vaste obstakels (wanden, ondersteuningspilaren, trappen, vaste zitmeubelen,
vitrines, enz.).
Wat niet op de plattegrond staat, kan eenvoudig door de opdrachtgever worden aangegeven:
- de hoogte(n) van de ruimte !
- de plaatsen van stopcontacten, lichtschakelaars en lichtpunten.
- de plaatsen van brandblusapparatuur.
- het soort vloer en vloerbedekking.
Het vergroten of verkleinen van een ruimte
De plattegrond toont in eerste instantie al een aantal mogelijkheden en beperkingen wat
betreft
de grootte van de ruimte; is deze naar uw zin, is ze te groot of te klein ?
U kunt bouwkundig gezien niets aan de ruimte veranderen.
U zult dan moeten zoeken naar visuele oplossingen.
Een grote ruimte visueel verkleinen kan op meerdere manieren:
- de ruimte verdelen met behulp van op de grond geplaatste
of aan het plafond bevestigde lichtgewicht wanden.
- gebruik maken van mobiele wanden of panelen.
- gebruik maken van grote objecten.
- het plafond verlagen m.b.v. textiel of een ander gemakke lijk aan te brengen en te
verwijderen
materiaal.
Een kleine ruimte visueel vergroten is moeilijker maar niet onmogelijk:
- de wanden zo licht mogelijk houden.
- zoveel mogelijk klein tentoonstellingsmateriaal gebruiken.
- werken met spiegels aan (een van) de wanden of op andere
plaatsen.
U kunt natuurlijk de ruimte ook gewoon gebruiken zoals hij is of zelfs het grote,
respectievelijk
kleine ervan accentueren, al naar gelang het doel van uw tentoonstelling.
Het maken van een maquette
U begint uiteraard met de ondergrond.
Neem daarvoor een stuk spaanplaat van 10 a 15 mm. dikte, afhankelijk van de totale grootte
van de maquette.
Zorg ervoor dat de ondergrond aan alle kanten iets groter is dan de ruimte op schaal.
Gebruik een goed haaks, vierkant of rechthoekig stuk plaat.
Geef de ondergrond alvast de kleur van de vloer(bedekking) in de tentoonstellingsruimte.
Teken vervolgens met potloodlijnen de plattegrond op de ondergrond en geef de plaatsen aan
van deuren en ramen.
Het bouwen van een maquette vraagt van de maker enige handigheid. Gebruik daarom
eenvoudig te verwerken materialen zoals papier, karton, stukjes triplex, e.d.
Een zeer geschikt en niet al te duur materiaal is zogenaamd "foam-karton". Dit bestaat uit
twee
laagjes dun karton met een schuimlaag ertussen. Het is verkrijgbaar in diktes van 3 t/m 12
mm.
en laat zich gemakkelijk snijden en lijmen.
Het gereedschap dat u nodig hebt bij het bouwen van een maquette:
- figuurzaag.
- stanleymes.
- schaar.
- lijm.
- meet- en tekengerei.
Uitgaande van de plattegrond worden de wanden uitgemeten en afgetekend op het materiaal
dat u gekozen hebt.
Houd hierbij een simpele grondregel aan: gebruik zo dun mogelijk materiaal, zonder dat de
wanden te slap worden.
Snijd, knip of zaag de deuren en ramen uit.
Lijm vervolgens de wanden een voor een op de ondergrond en aan elkaar.
Het mooiste resultaat bereikt u door de wanden in verstek tegen elkaar te lijmen.
Nu de maquette van de expositieruimte klaar is, volgt de inrichting ervan.
Gebruik ook hier weer eenvoudige materialen:
- karton of triplex voor panelen of lossen wanden.
- blokjes hout, pur-schuim, e.d. voor vitrines en objecten
.
Werk de onderdelen en inrichtingselementen zo strak en glad mogelijk af.
De panelen, vitrines, losse wanden en andere elementen worden schematisch vervaardigd
volgens de uitgekozen schaal.
De aldus gemaakte onderdelen worden op hun plaats gezet maar nog niet vastgelijmd. Dat
doet u pas wanneer de maquette naar tevredenheid is ingericht.
Het maken van een model
Alleen wanneer het van belang is voor uzelf of om de opdrachtgever te laten zien hoe
bijvoorbeeld een bepaalde vitrine eruit ziet, dan maakt u daarvan een kopie op schaal; een
model.
Het maken van modellen vraagt een zekere kundigheid en vindingrijkheid die u alleen met
veel
oefenen in de vingers zult krijgen. Door veel en nauwkeurig te werken zullen de resultaten op
den duur bevredigend zijn.
Het maken van een bouwtekening van het model is een voorwaarde. Vaak zal het gaan om een
tekening van het voor-, boven- en zijaanzicht van het model.
Maak de bouwtekening meteen op de schaal waarin u het model wilt hebben.
Meestal zal dat zijn schaal 1:5 of 1:10.
De materialen en gereedschappen die u gebruikte voor het maken van de maquette hebt u nu
ook weer nodig bij de vervaardiging van de modellen.
Werk ook hier elk onderdeel zorgvuldig af en wacht met het aan elkaar lijmen tot u zeker bent
van de juiste constructie.
Plattegrond van de workshop-maquette
Voor de workshop "samenstellen van een tentoonstelling" maakte Wim Clarijs, de auteur van
bovenstaande bijdrage, twee identieke maquette's en een plattegrond daarvan.
Wij hebben zowel op de plattegrond als op de maquettes een raster laten tekenen. Dat maakt
het makkelijk om van schets naar plattegrond te werken.
Tijdens de workshops probeert men verschillende opstellingen uit. Elk idee voor een
opstelling
wordt meteen in kaart gebracht op de plattegrond. Uit die verschillende idee‰n wordt dan het
ontwerp gekozen. Als dan later de hele maquette is ingericht worden er foto's van gemaakt.
Het tekenen van een plattegrond; symboolgebruik
Het tekenen van een plattegrond is op zich niet zo moeilijk. Wel is het van belang dat uw
tekeningen ook door anderen gelezen"kunnen worden.
Het gebruik van symbolen is daarom aan te bevelen. Gebruikt u de gestandariseerde normen
(e.n.) dan begrijpt men de tekening in elk Europees land.
Hieronder ziet u een overzicht van de meest belangrijke. Uitgebreide kaarten met de symbolen
volgens de standaardnormen zijn o.a. verkrijgbaar bij bouwwinkels.
Uiteraard kunt u ook eigen symbolen gebruiken. In dat geval maakt u daarvan een legenda die
u links onderaan uw plattegrond tekent.
U kunt dan met symbolen werken, maar ook met cijfers of kleuren.
Het ontwerpen van een eigen legenda-systeem is vooral belangrijk als het om niet alledaagse,
specifieke aanduidingen gaat. Juist voor u, die zich bezig houdt met tentoonstellen kan dit een
uitkomst zijn. Bijvoorbeeld om aan te geven hoe de natuurlijke lichtinval is, of waar zich
lichtpunten bevinden en hoe die zijn te gebruiken.
Van belang is ook de plaats van warmtebronnen. Voor bepaalde kunstwerken is het ongewenst
dat zij te dicht bij een radiator of kachel staan. Deze warmte bronnen zijn eenvoudig aan te
geven in een plattegrond.
Ook de plaats van kunstwerken kan door eenvoudige symbolen schematisch in de plattegrond
worden aangegeven.
De gebruikte materialen voor muren, vloeren, plafonds.
Naast de plaatsen van lichtpunten, ramen, deuren, warmtebronnen en dergelijke is het nodig
de
materialen te kennen waaruit het tentoonstellingsgebouw is opgetrokken. Ook deze materialen
kunnen in plattegronden worden weergegeven middels symbolen. We gebruiken bijvoorkeur
diverse asceringen. Muren kunt u aangeven zoals op bovenstaande illustratie.
En een vloer als hierboven.
Voor de plafonds geldt in wezen hetzelfde systeem als voor de vloeren. Wel moet in deze
gevallen op de tekening zelf duidelijk worden aangegeven of het om een vloer of om een
plafond gaat. Beiden zullen n.l. vaak dezelfde oppervlakte en vorm hebben op de platte
grond.
Deel III-B De verlichting
Inleiding
Hoe licht werkt en hoe we werken met licht, is voor een tentoonsteller van wezenlijk belang.
Zonder licht kunnen we het tentoongestelde niet zien. Behalve wanneer het tentoongestelde
een donkere ruimte is.
Om met licht om te kunnen gaan hoef je gelukkig niet alles te weten over licht, maar wel
enkele basisprincipes. We zullen die hier behandelen zonder al te technisch te worden. Met
andere woorden, de details en de oorzaken behandelen we voor zover ze voor ons van belang
zijn.
Iets zichtbaar maken
We zien iets met onze ogen. Hoe werkt dat?
Een lichtbron straalt "licht" uit. Eenvoudig gezegd bestaat licht uit materiedeeltjes die zich in
een golf voortbewegen. Wit licht bestaat uit een verzameling van verschillende golven met
verschillende golflengten. Zichtbaar licht vormt slechts een klein deeltje van het hele
elektromagnetische spectrum. Om u een idee te geven, ziet u hieronder op de balk waar het
zichtbare
licht zich ongeveer bevindt.
Elke golflengte staat voor een bepaalde kleur. Die verschillende golflengten samen en in een
bepaalde verhouding, ervaren wij als wit licht.
elektromagnetisch spectrum:
radio----tv----microgolven----infrarood----zichtbaarlicht----ultraviolet----röntgen
zichtbaar licht spectrum:
infrarood----rood----geel----groen----blauw----ultraviolet(UV)
Als er in dat witte licht de golflengte die wij als blauw zien, meer voorkomt dan gebruikelijk
dan zullen wij dat witte licht als koud ervaren. Zit er bijvoorbeeld meer rood in dan ervaren
we
dat witte licht als warm. Wit licht kan dus variëren van "koud" naar "warm",
afhankelijk
van de
exacte samenstelling van het licht.
Kleuren zien
Wij zien iets doordat licht weerkaatst wordt. Een zogenaamd wit voorwerp weerkaatst alle
golflengten. Een zwart voorwerp weerkaatst niets. Een rood voorwerp weerkaatst uitsluitend
rood licht. Vandaar, dat als wij met een groen licht op een rood voorwerp schijnen, dat
voorwerp zwart ziet. Het weerkaatst alleen het rode licht.
Wit licht ontstaat door licht met de drie basiskleuren te mengen, te weten donker groen,
donker rood en
donker blauw. Dankzij het rode licht wordt van een wit voorwerp al het rood weerkaatsende
zichtbaar, dankzij het groene licht al het groen weerkaatsende en dankzij het blauwe licht al
het
blauw weerkaatsende. In 't begin lijkt het een beetje vreemd dat je met drie donkere lampen
wit
licht krijgt. Dat komt omdat we vooral de subtractieve mengingen uit het schilderen gewend
zijn. Bij een subtractieve menging vormen geel, magenta en blauw de kleur zwart.
Als
we met licht werken is er sprake van een additieve menging. Twee donkere rode lampen
geven
meer licht dan één.
Dat de meeste mensen in staat zijn kleuren te zien komt doordat onze ogen lichtreceptoren
bevatten: staafjes en kegeltjes. De kegeltjes zorgen ervoor dat we de kleuren kunnen
onderscheiden. De staafjes zorgen dat we "iets" zien. Als er weinig licht is werken alleen de
staafjes. In het schemerdonker ziet daarom alles grijs.
Kleurtemperatuur
We zagen reeds dat we wit licht kunnen ervaren als warm of koud. Als het witte licht veel
rood
licht bevat ervaren we dat als warm licht. Warm licht, koud licht, die samenstelling van het
licht
wordt dan ook uitgedrukt in de kleurtemperatuur van het licht en die drukken we uit in graden
Kelvin.
Licht met veel rood er in, bijvoorbeeld een gewone gloeilamp, heeft een
kleurtemperatuur van ongeveer 3.500ø Kelvin. Een TL-lamp geeft veel meer blauw licht en
heeft een
kleurtemperatuur van ongeveer 5.500ø K. Daglicht heeft nog een hogere kleurtemperatuur,
afhankelijk van het weer zo gemiddeld 7.500ø K. Als men licht dimt dan daalt meestal ook de
kleurtemperatuur.
Voor u als tentoonsteller is dit van belang om te weten want als u een gewoon spotje zet op
een schilderij dat bij daglicht is geschilderd, dan zullen de rode tinten van het schilderij
onevenredig opvallen. Gedimd licht op een schilderij is meestal helemaal erg. Vandaar dat u,
indien u
een spot van bv 150 watt heeft, veel beter die lamp kunt vervangen door een van 100 watt dan
die lamp van 150 watt te dimmen.
Op het lichtspectrum zagen we al dat blauw licht, helder daglicht dus, dicht tegen het UV-licht
aan zit. We weten ook dat UV-licht in het algemeen erg slecht is voor kunstwerken. Dat geldt
dus ook voor daglicht. Zeker erg gevoelig werk dient men zo goed mogelijk te beschermen
tegen licht. In vele musea kan men met name tekeningen dan ook alleen maar zien in een
donkere ruimte.
Lichtbronnen
We kennen globaal genomen twee soorten van lichtbronnen: spotlights en floods, oftewel
gericht en diffuus licht.
Een spot kan men precies richten op een
voorwerp en met hulpstukken kan men de plaats waar het licht valt, ook zeer goed afbakenen.
Het nadeel van een spot is dat het gerichte licht ook gericht weerkaatst wordt. Dat kan, als de
tentoongestelde voorwerpen achter glas zitten, heel vervelend zijn.
Een flood geeft diffuus licht, dat wil zeggen dat het licht alle kanten opgaat. Een spot geeft
een
scherpe schaduw, een flood niet. Van een spot kan men op eenvoudige wijze een flood
maken,
namelijk door bv matglas voor de spot te houden. De praktijk zal moeten uitwijzen wanneer u
met welke lichtbronnen het prettigst werkt.
Het uitlichten
Het uitlichten van een tweedimensionaal voorwerp is het eenvoudigst. U kunt dan kiezen
tussen het belichten van de afzonderlijke voorwerpen en tussen een totaal verlichte ruimte.
Soms is de ruimte zelf erg belangrijk en dan is het noodzakelijk een goed lichtplan te (laten)
ontwerpen. Soms dient de ruimte volledig ondergeschikt te zijn aan de tentoonstelling en dan
is
een helder egaal licht vaak erg prettig.
Daglicht is daarbij mooi en vaak gratis voorhanden. We moeten hier wel de opmerking maken
dat meer ramen niet altijd méér licht betekenen. Het licht dat via het ene raam
binnenkomt
verdwijnt namelijk via het andere raam.
Als we in een dergelijke ruimte een
tentoonstelling moeten inrichten kunnen we beter het ene raam voorzien van een wit scherm
zodat het binnenvallend licht weerkaatst wordt in de ruimte en zo de verlichting optimaal
maakt.
Een egale verlichting verkrijgt men het makkelijkst door met diffuus licht te werken. In de
praktijk betekent dit dat er gebruik wordt gemaakt van TL-lampen. Voor aan het plafond zelf
heeft men dan de keuze uit lichtbakken met een mat doorschijnend deksel en roosterbalken
Die roostertjes zijn vooral belangrijk opdat de mensen die rondwandelen niet vol in
de lichtbron kijken. Daarnaast geven ze ook nog eens een goede verspreiding van het licht.
Aan de wanden kan men op een eenvoudige manier indirecte verlichting aanbrengen.
Laten we
de lampen via het plafond weerkaatsen, dan wordt dit helderder en lijkt het hoger. Als we de
lampen via de wand weerkaatsen blijft het plafond enigszins donker. De
ruimte gaat daardoor lager lijken.
Bij het uitlichten van een driedimensionaal voorwerp, dat tegen een wand is geplaatst, moeten
we bijna altijd gebruik maken van een hulplichtbron. Op de tekeningen zien we een en ander
schematisch weergegeven.
We zien de wand waartegen het voorwerp is geplaatst, het voorwerp zelf en de
hoofdlichtbron.
Hier bevindt de hoofdlichtbron zich min of meer op de plaats waar ook de
toeschouwer staat. Daardoor ziet men vooral een tweedimensionaal beeld, het voorwerp gaat
vervloeien in de achtergrond.
Hier zien we hoe er met behulp van back- en toplights reliëf aangebracht
wordt.
De backlights kunnen ook zeer goed gebruikt worden om sfeer te maken. Zoals we al eerder
zagen moet het licht waarmee we het tentoongestelde voorwerp belichten qua samenstelling
zodanig zijn, dat de toeschouwer het voorwerp ziet zoals het gezien hoort te worden. Dat
geldt in iets mindere mate ook voor het licht dat vanboven op het voorwerp valt. Het werken
met gekleurd licht kan een aardig effect geven. Maar meestal komt men naar een
tentoonstelling om de voorwerpen te bezichtigen en die wil men dan zo goed mogelijk zien.
De
backlights
verlichten echter de achtergrond en niet het voorwerp zelf. Die lichten kan men zeer wel
voorzien van een kleurfilter. Kleurfilters kan men kopen in gespecialiseerde winkels, waar
men
meestal ook theater-verlichting verkoopt.
Als de achtergrond wit is, kan men bijvoorbeeld met een zalmkleurig filter een warme schijn
cre‰ren. Wil men juist een wat hardere sfeer dan kiest men een licht blauw filter.
Zo kan men bijvoorbeeld iemand van wie men de buste tentoonstelt sympathiek of minder
sympathiek doen overkomen.
Tot besluit nog een enkele opmerking aangaande de veiligheid. Indien u met losse spots of
floods werkt, zeker als de apparatuur voor het publiek bereikbaar is, dient u zeer goed op de
veiligheid te letten. Dat betekent geen losse kabels over de vloer waarover men kan struikelen.
Gebruik goede en veilige stopcontacten, stekkers en verdeeldozen en zorg dat alles geaard is.
Als inrichter van de tentoonstelling bent u aansprakelijk voor eventuele ongelukken en met
name kinderhandjes zijn klein en bezig.
III-B Presentatiemiddelen
De presentatiemiddelen delen we onder naar hun gebruik en dan komen we tot de volgende
indeling:
- afbakenings- en geleidingsmiddelen
- presentatiemateriaal en verfraaiingsmiddelen
- bevestigingsmiddelen en gereedschap
Afbakenen en geleiden
We kunnen een presentatie op verschillende manieren afbakenen. Dat kan heel letterlijk zijn
middels panelen. Het kan ook symbolisch zijn door gebruik te maken van paaltjes en een
touwtje.
Er kunnen verschillende redenen zijn om een gedeelte van de tentoonstelling af te bakenen.
Het
kan zijn om een bepaalde presentatie beter tot zijn recht te laten komen of om een looproute te
markeren, maar het kan ook zijn dat het tentoongestelde beschermd moet worden.
Panelen:
Panelen kunnen in principe op tweeërlei manieren gebruikt worden. Enerzijds om een
ruimte in
te richten/af te bakenen zoals u dat zelf wenst. Anderzijds om in een tentoonstellingsruimte
presentatiemogelijkheden te creëren.
Om een ruimte in te richten/ af te bakenen gebruikt men in het algemeen panelen van zo'n drie
meter hoogte. Minder hoge panelen maken de ruimte onrustig en het tentoongestelde
materiaal
heeft een minimale hoeveelheid `rustige' achtergrond nodig. Voor presentaties gebruikt men
daarentegen juist lagere panelen. Hoge panelen zijn dan veel te dominant in de ruimte.
Buiten hoge en lage zijn er allerlei soorten panelen. Er zijn houten panelen, beklede panelen,
kunststof panelen...het hangt er maar van af wat u nodig heeft of denkt nodig te hebben.
Panelen kan men kant en klaar kopen, u kunt ook zelf uw panelen maken. Voordat u tot een
eventuele aanschaf overgaat is het goed de voor- en nadelen van de verschillende systemen
proefondervindelijk te leren kennen.
Er zijn daarbij een aantal zaken waarop u moet letten:
- wat is de levensduur,
- hoe snel komen er beschadigingen e.d.
- hoe zijn de bevestigingsmogelijkheden;
- wat is het gewicht;
- wat is de omvang (reizende tentoonstellingen moeten soms via een lift);
- de verbinding met andere panelen;
Het plaatsen van de panelen:
Wanneer u iets aan een paneel hangt moet u er rekening mee houden dat zo'n paneel kan
omvallen. Zeker als het gaat om een losstaand paneel. Een eenvoudig steuntje onderaan het
paneel is vaak niet voldoende.
We zien hier een object aan een paneel hangen.
Het object hangt middels een ophangkoord aan het paneel. Vanuit het zwaartepunt laten we
een loodrechte lijn naar beneden. Wanneer u niet weet waar het zwaartepunt zich bevindt kunt
u het voorwerp voorzichtig op een dun balkje leggen. Het valt dan naar links of naar rechts of
het blijft enigzins in evenwicht. Wanneer dit laatste het geval is zal het zwaartepunt ergens
loodrecht boven dat balkje liggen.
We zien nu dat de bestaande steun slechts tot punt (1) reikt.
De loodrechte lijn vanuit het zwaartepunt raakt de grond op punt (2). Wanneer de steun niet
veranderd wordt valt het paneel naar voren. De steun moet minimaal tot aan punt 2 komen. En
aangezien het soms moeilijk is om exact het zwaartepunt te bepalen, is het het veiligste om de
steun tot aan punt (3) te laten komen.
Panelen die, zoals op de figuur hierboven, met elkaar in verbinding staan, en die regelmatig
een
hoek met elkaar vormen, staan meestal behoorlijk stevig. Wel moet u op voorhand goed
kijken
waar en hoe u de
panelen gaat plaatsen want een keten van panelen is niet eenvoudig te verplaatsen.
De verbinding tussen panelen
We kunnen panelen een `vaste' verbinding geven of een `scharnierende'.
Een vaste verbinding is goedkoop en geeft een stevig opstelling, zeker wanneer de panelen
zowel bovenaan als onderaan voorzien zijn van zo'n profiel.
Zo kunt u een gehoekt U-
profiel met schroeven vast te zetten. Het nadeel van de vaste verbinding is dat
men de panelen alleen in die hoek kan zetten.
Bij een vaste opstelling kunt u de profielen blijvend bevestigen, bijvoorbeeld steeds aan de
rechterkant van het paneel. Wanneer de panelen in de goede volgorde geplaatst worden, staan
ze steeds goed opgesteld.Een scharnierende verbinding maakt het mogelijk de plaatsing aan te
passen.
Hier ziet u twee soorten scharnieren.
Om panelen met de linker scharnier met elkaar te
verbinden, tilt u het aan te bouwen paneel op en laat de scharnieren `in-elkaar-vallen'. Panelen
hebben meestal zowel bovenaan als onderaan scharnieren en als het zware panelen zijn vergt
dit systeem enige
vaardigheid. Bij het verschuiven van de panelen kunnen ze ook wel eens los schieten en dat
kan
een hoop werk geven. Soms moet u dan alle panelen die volgen opnieuw aanklikken. Het
rechter systeem (deurscharnieren) is wat dit betreft een stuk praktischer. U plaatst de panelen
naast elkaar, tikt de pin erin en ze staan vast. Om de pin er weer uit te slaan kunt u een spijker
gebruiken die iets dunner is, u slaat de pin dan van onderuit er weer uit.
Tot slot nog de opmerking dat vloeren niet altijd even vlak zijn. Het is daarom verstandig
panelen aan de onderkant te voorzien van stelschroeven, net zoals bij bijvoorbeeld een
koelkast. Met de mogelijkheid om panelen tot 5 cm te verstellen komt u al een heel eind.
Andere afbakenings- en geleidingsmiddelen
Vooral in musea, waar men bijvoorbeeld historische opstellingen heeft, is het wel eens nodig
de
bezoeker duidelijk te maken dat het niet de bedoeling is om zich tussen die opstellingen te
begeven. Er zijn dan verschillende mogelijkheden. Men kan de hele opstelling afschermen
met
plexi- of ander glas. Veilig maar voor de toeschouwers minder prettig. Als alternatief maakt
men vaak gebruik van paaltjes met touw. Men zou echter ook het plexiglas tot bijvoorbeeld 1
meter hoogte kunnen plaatsen.
De hele opstelling zo'n 10 tot 20 cm hoger zetten dan het wandelpad werkt meestal ook goed.
De bezoeker die zich dan tussen de opstelling wil begeven, moet dan de hoogte in en dat doet
men niet zo snel.
Om de bezoeker in een bepaalde richting te laten lopen zijn er veel middelen: touw, lint,
pijlen,
strepen en nog een hele boel. Uiteraard mogen we de R2- en A1- teksten niet vergeten (wat
R2
en A1-teksten zijn leest u verderop). Onder de R2 teksten vallen ook de verwijzingen naar de
toilletten, naar de cafetaria enzoverder.
Belangrijke geleidingsmiddelen zijn onder meer de "let-op-de-afstap" bordjes.
Etalages en vitrines
Als laatste in de reeks afbakeningsmiddelen behandelen we de etalages en vitrines.
De open etalages staan midden in de ruimte en hebben een sterke wisselwerking met die
ruimte. Letterlijk en figuurlijk. Ze zijn stoffig en iedereen kan overal aankomen. Ze hebben
een
onrustige achtergrond: namelijk de rest van de tentoonstelling. Daar staat tegenover dat het
directe contact dat de bezoeker heeft met het tentoongestelde meestal heel erg op prijs wordt
gesteld.
In gesloten etalages kan men door de vaste achterwand makkelijker sfeer scheppen.
Ook vitrines kunnen open of gesloten zijn. Vitrines kunnen uitsluitend glazen wanden hebben,
maar ze kunnen ook bestaan uit een combinatie van ondoorzichtige platen en glas.
Er bestaan standaard- en opbouwvitrines. Met het laatste systeem kunt per gebruik de vitrine
anders samenstellen.
Standaard vitrines zijn meestal steviger en voorzien van een goede afsluiting.
Bij de aanschaf van vitrines moet u op een aantal zaken letten. Een van de belangrijkste zaken
is de inhoud en de ruimte verdelingsmogelijkheden. Ook belangrijk is hoe de vitrine opengaat.
Bij een tafelvitrine kan het zijn dat u er alleen in kunt door het hele glazen blad op te tillen.
Het
kan ook zijn dat de vitrine een zijluikje heeft.
Ook de verplaatsbaarheid van een vitrine is meestal een belangrijk punt.
De hele goede en dure vitrines zijn voorzien van warmte en vochtigheidsregulaties.
Presentatiemateriaal en verfraaiïngsmiddelen
Onder klein presentatiemateriaal valt onder meer het gesloten en open
opbouwmateriaal.
Gesloten opbouwmateriaal heeft men in alle vormen en kleuren. Ook wat betreft het open
opbouwmateriaal is er een ruime keuze zowel wat systeem als materiaal betreft. Heel handig
is
het metalen draadheksysteem, het bestaat uit roosters in allerlei afmetingen, die makkelijk met
elkaar te verbinden zijn en waarmee men een hele opbouw kan maken.
Dat kan men ook met karton en hout. Karton is behoorlijk stevig maar kan natuurlijk nooit
hetzelfde gewicht als hout dragen. Hout is wel zwaarder. Hout en karton hebben het nadeel
dat
het natuurlijk materiaal is en kan gaan werken onder invloed van warmte (spots) en
vocht.
En dan zijn er nog de display's, plastic en metalen standaards. Die worden heel veel in winkels
gebruikt, vaak tijdelijk om een bepaald produkt onder aandacht te brengen. Vervolgens wordt
dat materiaal op zolder gegooid of gaat het met het groot vuil mee. Men is vaak blij als u het
mee wil nemen.
Dat geldt helaas niet voor de perspex zuiltjes, glasplaten en specifiek branchemateriaal zoals
boek- en bordenstandaards.
Ook wat betreft verfraaiïngsmiddelen hebben we een ruime keuze. Papier is er in alle
soorten,
maten en dikten.
Om de achterwand of de vloer te bekleden kunt u gebruik maken van bijvoorbeeld jute. Dat is
ruig maar erg sterk. Als u het bevochtigt bij het opspannen trekt het zich bij het drogen strak.
Flanel wordt ook veel gebruikt. U kunt het goed glad spannen want het is vrij sterk. Net als
Jute is het redelijk kleurecht.
Als alternatief kunt u lakfolie, een gladde kunststof met glimmende en doffe kant, gebruiken.
Wel ziet men er alle gaatjes en vieze vingers op.
Bevestigingsmiddelen en gereedschap
In Deel IV-A wordt het tentoonstellen in een andere ruimte behandeld. Daarin staat te lezen
wat u zo allemaal aan gereedschap nodig heeft. Voor het maken van opstellingen moet u nog
wat extra meenemen. Handig zijn de zwartgelakte etalagespelden van ca 3 cm. Ze zijn
buigzaam maar je kunt ze ook timmeren zonder dat ze krom slaan; ze zijn er ook dikker van 5
cm,
en verchroomd.
Verschillende soorten klemmen mogen evenmin ontbreken. Bij het vastklemmen moet u er
wel
voor zorgen dat er nooit roestvlekken kunnen ontstaan. Heeft u behoorlijk zware klemmen
nodig dan weet een marktkoopman u wel aan een goed adres te helpen. Hij zet zijn zeilen ook
met klemmen vast.
Een typisch stuk gereedschap is de etaleurshamer. Die heeft een magnetische kant zodat men
de speld niet hoeft vast te houden om ze ergens in te spijkeren.
Wanneer u een nietmachine gebruikt kunt u op twee manieren nieten. U kunt met de vrije
hand
de nietmachine tegen het te nieten materiaal aandrukken en dan gaan de nieten er volledig in.
Wanneer u dat niet doet blijven de nietjes zo'n 2mm eruit steken. Ze zijn dan makkelijker te
verwijderen en men kan er nog eens een draadje aan vastmaken.
Deel III-B Ophangsystemen
Als een tentoonsteller werk ophangt, en tijdens de tentoonstelling valt dat werk naar beneden,
dan is die tentoonsteller daarvoor aansprakelijk. U kunt u verzekeren tegen eventuele
aanspraken, maar "voorkomen is beter dan genezen".
Als men iets ophangt is er sprake van een `Object' - een `Ophangpunt' - en een verbinding
daartussen.
Het object & de verbinding
Over het "object"leest u meer in Deel IV-A (ingelijst werk). Voor een deel behandelden wij
daar ook de verbinding. We kennen de flexibele verbinding en de vaste verbinding. Beide
systemen komen
voor wanneer men rails gebruikt.
Het ophangpunt
We onderscheiden drie soorten van ophangpunten:
1 de vaste ophangpunten (spijkers, schroeven, haken in muur of plafond),
2 rails (open en gesloten systemen)
3 mobiele systemen (panelen, draadwerk e.d.)
Als tentoonsteller heb je te maken met bestaande systemen en systemen die nog aangebracht
moeten worden. Bestaande systemen moeten in principe altijd gecontroleerd worden.
Hoe de krachten werken
U moet als tentoonsteller dus in staat zijn om in te schatten of een ophangsysteem deugdelijk
is
en in hoeverre de ophanging voldoet. Enige kennis over trek- en zwaartekracht is daarvoor
noodzakelijk. Het gaat er hierbij niet om dat u al die krachten kunt berekenen, maar wel dat u
een enig inzicht heeft. Hoe die krachten werken en waarop men zoal moet letten.
Vaste ophangpunten
Als vaste ophangpunten kennen we vooral de spijker en de schroef(haak).
We beginnen met te kijken welke krachten er werkzaam zijn als een object aan een schroef of
spijker hangt.
Vervolgens gaan we kijken hoe spijkers en schroeven bevestigd moeten worden en waarop u
daarbij zo allemaal moet letten.
Trek- en schuifkrachten:

U ziet hier op beide figuren de doorsnede van een plank met horizontaal daarin een spijker.
Op de eerste figuur ziet u dat de spijker diep in de plank zit, op de tweede figuur is dat niet zo.
Wanneer men iets hangt aan het uiteinde van de spijker, gaan er verschillende krachten
werken.
We onderscheiden drie belangrijke krachten: twee krachten naar beneden en een naar boven.
Op het uiteinde van de spijker is er een kracht (A) omlaag. Die kracht is gelijk aan het gewicht
van dat wat er aanhangt. De tweede kracht (B) omlaag werkt daar waar de spijker scharniert.
De derde kracht (C) is omhoog gericht.
Het is net als bij een weegschaal hoe verder het ophangpunt van het scharnierpunt (B) is, hoe
meer het weegt en hoe groter de kracht op punt (C) is.
Als we iets zwaar aan het uiteinde van de spijker in de tweede figuur hangen, bijvoorbeeld aan
ophangpunt
`1', dan is de kans groot dat ¢f de druk op punt C zo groot wordt dat daar de plank barst,
óf
dat de druk op punt 1 zo groot wordt dat de spijker buigt.
Omwille van dit laatste kiest men het ophangpunt, bijvoorbeeld `2', zo dicht mogelijk tegen
het
scharnierpunt aan. Direct tegen het scharnierpunt aan buigt de spijker niet meer, hij kan
hoogstens breken. Maar voordat een spijker breekt moet er wel héél veel
gewicht aan hangen.
In dit geval is de spijker horizontaal geslagen. De spijker kan ook schuin omlaag of omhoog
geslagen zijn.
Wanneer u de spijker schuin omhoog in de muur heeft geslagen, en u hangt bijvoorbeeld een
object met behulp van een touw aan de spijker, dan glijdt dat touw bijna vanzelf naar het
scharnierpunt toe. Is de spijker omlaag geslagen dan glijdt het touw naar het uiteinde van de
spijker
toe, waarbij de kans toeneemt dat de spijker gaat buigen.
Hoe komt het nu dat een spijker blijft zitten?
U slaat een spijker in bijvoorbeeld een
houten
balk. Daar waar nu de spijker zit, zat eerder hout. Dat hout heeft de spijker weg geduwd, maar
dat wil weer terug op zijn plaats komen en klemt zodoende de spijker vast. Daardoor wordt de
wrijving enorm hoog en is het moeilijk de spijker te verwijderen. Ook een spijker die recht
omhoog in een houten plafond geslagen is, blijft zitten door die wrijving. Wel kan zo'n spijker
in principe minder gewicht hebben dan een horizontaal geslagen spijker. Hoe dieper de spijker
in het hout zit hoe meer wrijving.
Hout is niet alleen veerkrachtig, het valt ook niet zo snel uit elkaar, zoals dat met een steen
wel
het geval is. Een steen is ook niet zo veerkrachtig als hout. Vandaar dat spijkers in stenen
muren vaak snel los komen te zitten, vooral als ze in de voegen geslagen zijn. Overigens: als
men een spijker in een plank slaat, kan het hout wel eens gaan splitsen. Dat gebeurt vooral als
het gaat om een dunne plank. Dit kan meestal voorkomen worden door even op de punt van
de
spijker te slaan.
Een spijker ergens inslaan werkt erg snel. Schroeven kost veel meer tijd. Daar staat tegenover
dat een schroef weer makkelijk verwijderd kan worden, op dezelfde plaats weer opnieuw
gebruikt kan worden, en meer geschikt is voor stug of broos materiaal.
Een schroef kan men rechtstreeks in hout draaien. Men boort dan eerst een gaatje met een
boortje dat net zo groot of iets kleiner is als de as van de schroef. Vervolgens draait men de
schroef erin.
Bij een horizontale schroef werken dezelfde krachten als bij een spijker. Een verticale,
omhoog
in het plafond gedraaide schroef, zit echter veel steviger dan een spijker.
Hier ziet u hoe de
schroef zich in het hout boort. Tussen de schroef en het hout is er geen gladde scheidingswand
zoals dat het geval is met de spijker.
We schreven al dat een stenen muur bros is en niet zo elastisch als hout. In een stenen of
betonnen muur kan men geen spijker slaan of schroef draaien. Er zijn wel staalspijkers, maar
voor de tentoonsteller zijn die in het algemeen niet geschikt.
Om iets goed te bevestigen in een stenen of betonnen muur gebruiken we pluggen. Pluggen
zijn gemaakt van elastisch materiaal.
Bij het gebruik van pluggen boort men eerst een gat in de stenen muur. Dat gat moet ruimer
zijn dan de schroef die u er in gaat draaien. Bij het boren moet u er ook op letten dat u een
steenboor gebruikt, die heeft een wat dikkere kop dan een metaalboor. Een metaalboor kunt u
w‚l voor hout gebruiken maar niet voor steen.
De ruimte tussen de schroef en de muur wordt
opgevuld door een plug, zodanig dat die schroef "muurvast" komt te zitten. Verderop ziet u
hoe een plug die ruimte opvult.
We schreven hierboven al dat bij een horizontale schroef de krachten hetzelfde werken als bij
een spijker. Bij een schroef die met een plug in de muur komt te zitten moeten we wel
rekening
houden dat stenen muren vaak voorzien zijn van een zachte laag bezetsel. Op de figuur
hierboven zag u
het scharnierpunt aangegeven. Bij een muur met bezetsel ligt dat scharnierpunt bij de muur
zelf. Wanneer het bezetsel een cm dik is dan ligt het ophangpunt altijd al een cm van het
scharnierpunt verwijderd.
Er zijn verschillende soorten pluggen.
Hier zien we dat de plug over bijna de hele lengte zit.
Door de schroef erin te draaien zet de plug in de breedte uit
.
Muren zijn niet allemaal uit hetzelfde materiaal
gemaakt. Voor elk type muur kan de vakman u wel een goede plug aanbevelen.
Indien er zware voorwerpen verankerd of opgehangen moeten worden maken we gebruik van
de chemische plug of van keilbouthulsen.
Soms bestaan plafonds slechts uit dunne, vaak niet al te sterke platen.
Niet al te zware objecten
kan men dan toch ophangen aan een tuimelschroef .
Rails
Soms, wanneer men eenmalig iets moet ophangen, voldoet een enkele haak, schroef of
spijker.
Wanneer men vaker verschillende objecten moet ophangen zijn rails een veel betere oplos
sing.
Globaal genomen hebben we twee soorten rails: het u-profiel (het open systeem), en de flens
(het gesloten systeem).
Bij het U-profiel cre‰ert men een rand waaraan men dingen kan ophangen.
Bij het open systeem kan men niet alleen gebruik maken van nylondraad maar ook van
ophang
stangen. Aan nylondraden hangt men meestal een ophanghaak met stelschroef. Bij ophang
stangen maakt men gebruik van zelfklemmende haken. Dat is bijzonder handig wanneer men
verschillende lijsten op gelijke hoogte moet krijgen: men schuift de haak tot op de juiste
hoogte
en meteen zit die vast.
Ook bij het inrichten heeft een open rail zo zijn voordelen. Wanneer u bijvoorbeeld al drie
lijsten heeft opgehangen, is het vrij eenvoudig om daar in een later stadium een lijst tussen te
hangen.
Een nadeel van het open systeem komt vooral naar voren als het U-profiel hoog hangt.
Wanneer men een lijst een paar centimeter opzij wil schuiven moet men elke keer de trap op.
Als
men van beneden uit probeert de haak te verschuiven is de kans groot dat de haak van de rail
valt.
Bij het gesloten profiel hebben we dit laatste nadeel niet. Het ophangkoord hangt aan
een bolletje of aan wieltjes en glijdt over de rails zonder eraf te kunnen. Een nadeel is, zoals
we
hierboven al beschreven, dat u bij het inrichten goed rekening moet houden met welke lijst
waar moet komen te hangen. U kunt later geen lijsten meer toevoegen. Uiteraard kunt u tussen
elke lijst een of meerdere `reserve-wieltjes' laten zodat u later altijd nog een extra
ophangkoord
kunt tussenvoegen.
In de handel zijn heel veel verschillende soorten ophangsystemen. Dat varieert van zeer
goedkope `zelf-bouw'-systemen tot heel professionele, speciaal voor de tentoonsteller
vervaardigde
systemen. Bij uw keuze dient u zich deels te laten leiden door de kosten, maar vergeet niet dat
een ophangsysteem dat in het zicht hangt mede het imago van de ruimte bepaalt.
Mobiele systemen
Voor veel tentoonstellingen wordt gebruik gemaakt van allerlei soorten panelen. Sommige
panelen zijn voorzien van een ophangsysteem. Dat kunnen rails zijn, maar het komt ook vaak
voor dat panelen zodanig bekleedt zijn dat gebruik gemaakt kan worden van klitteband of van
spelden. Een heel enkele keer mag men er zelfs een spijker in slaan.
Wanneer u een spijker in het paneel moet slaan, sla die dan bij voorkeur op de kop, aan de
bovenkant van het paneel. Op de eerste plaats zit daar bijna altijd een stevige lat, op de tweede
plaats kan een spijker die daar geslagen is veel gewicht hebben. Het oogt ook veel mooier.
Er zijn ook panelen zonder bevestigingssyteem en waar men op geen enkele manier iets in kan
(of mag) spijkeren. Bij dergelijke panelen moet u de bovenrand beschouwen als een open
rail.
Bestaande systemen
Wanneer u een nieuw systeem aanbrengt, kies dan meteen een systeem dat berekend is op de
toekomst. Laat u goed voorlichten door de leverancier. Blijkt dan later dat het materiaal niet
deugt, dan kunt u de leverancier daarop altijd aanspreken.
Bestaande systemen dient u altijd te controleren. Bekijkt u eerst of er in alle schroefgaten ook
(de juiste) schroeven zitten, en of ze nog goed vastzitten. Zijn er verbuigingen in de rails waar
te nemen? Wordt er met nylon- of ijzerdraad gewerkt, en in welke staat verkeren die? Bij
nylondraad wordt de ophanghaak met een stelschroef vastgezet. Die stelschroef hoeft meestal
niet al te hard aangedraaid te worden. Doet men dat wel dan beschadigt men de nylondraad.
Een beschadigde draad kan minder gewicht hebben dan een nieuwe.
Beschadigd of niet, het is altijd verstandig het ophangsysteem uit te proberen voordat u het in
gebruik neemt. Een bijzonder handig hulpmiddel daarbij is de ulster, een oude handweger die
voor een paar gulden te koop is in de ijzerwinkel. U weegt eerst het werk dat moet opgehang
en worden. Vervolgens kijkt u of het bevestigingssysteem, op de plaats waar het werk moet
komen, dit gewicht zonder enige problemen kan hebben.
Deel III-B Teksten
Inleiding
Het gebruik maken van een tekst als middel om informatie over te dragen is zeer ingeburgerd.
Op een tentoonstelling dient echter primair het tentoongestelde als middel om informatie over
te dragen. Daarna pas komen de andere visuele middelen zoals tekening, schets, kaart, dia,
foto, film etc.. Als laatste in het rijtje komt de tekst. In het algemeen mag de tekst slechts als
een ondersteunend middel beschouwd worden.
De toeschouwer komt om te `kijken', niet om te lezen. Soms ontkomt men niet aan het
gebruik van teksten. Het is ook niet zo dat een bezoeker nooit teksten wil lezen. De bereidheid
om teksten te lezen, hangt af van een aantal factoren, onder meer van de interesse die de
bezoeker heeft voor het tentoongestelde. Hoe groter die is, des te groter de bereidheid om
(veel) tekst te lezen.
In het algemeen moet men er evenwel vanuit gaan dat de bezoeker gemiddeld 30 tot 45
seconden wil besteden aan het lezen van een tekstbordje. De grondregel is dat alle tekst
binnen
een redelijke tijd te lezen moet zijn, men moet de tentoonstelling nog kunnen bekijken!
Soorten teksten
We onderscheiden twee soorten teksten: de mobiele en de vaste teksten.
Onder mobiele
teksten verstaan we de infobladen, het looprouteplan, brochures, folders en andere
`meeneemteksten'.
Vaste teksten vinden we in de verschillende ruimten aan de muren.
Teksten die
vari‰ren van reclame tot praktische informatie. Verder vinden we vaste teksten in de vitrines
bij
de tentoongestelde objecten. Soms ziet men bij elk voorwerp een tekst, soms heeft elk voor
werp een nummertje en vindt men de gegroepeerde teksten terug op een plaats waar ze goed
leesbaar zijn.
In de loop der jaren is er in de verschillende handboeken een soort standaard tekstindeling
ontstaan. De onderstaande indeling sluit daar nauw bij aan.
We beginnen met de routebeschrijvende teksten en dan onderscheiden we:
R1 routebeschrijvingen buiten de ruimte
R2 " binnen de ruimte
R3 " in folders
A1 oriënterende informatie per afdeling/tentoonstelling in de ruimte zelf;
A2 idem in de meeneemfolder
A3 idem in de catalogus
B1 informatie over onderwerp/thema in de ruimte zelf
B2 idem in de meeneemfolder
B3 idem in de catalogus
C1 informatie over het object, geplaatst bij het object
C2 idem in de meeneemfolder
C3 idem in de catalogus
Audio-teksten
P-teksten
De R-teksten, en dan met name de routebeschrijvingen in folders en buiten de ruimte, zijn
vaak
het eerste waar de bezoeker met te maken krijgt. Ze zijn dan als het ware het visite-kaartje van
de tentoonsteller. Wie naar een tentoonstelling gaat wil optimaal genieten van het tentoong
estelde. Als de informatie die de bezoeker vooraf krijgt goed duidelijk is, dan heeft dat een
positieve invloed op de stemming van die bezoeker. Wie een half uur moet zoeken voordat de
ingang gevonden is, heeft in die tijd zijn verwachtingen, van wat er uiteindelijk te zien zal
zijn,
drastisch aangepast. En wie rommel verwacht zal rommel zien.
Ook aan de routebeschrijvingen binnen de ruimte moeten we hoge eisen stellen. Op de eerste
plaats omdat de bezoeker dan de door de tentoonsteller bedachte looproute volgt. Dat is niet
alleen van belang om het tentoongestelde in de juiste volgorde te zien, maar het voorkomt ook
dat de bezoekers elkaar in de weg gaan lopen.
Een goede routebeschrijving is, zeker bij grote tentoonstellingen, ook van belang opdat de
bezoeker zijn tijd en aandacht redelijk kan indelen. Het gebeurt regelmatig dat een bezoeker
speciaal voor een bepaald onderdeel van een tentoonstelling komt. Als het dan niet duidelijk
is
waar wat te zien is, kan het gebeuren dat zo iemand naar huis moet zonder gezien te hebben
waarvoor men speciaal gekomen was.
De A-, B- & C-teksten bevatten in principe samen alle andere tekstuele informatie van de
tentoonstelling.
Het is de kunst om een goede verhouding te vinden tussen de vaste en de mobiele teksten.
- Bij de vaste teksten, en dan vooral bij de C1-teksten, dient men ervoor te waken geen over
bodige teksten te plaatsen. Bezoekers hebben de neiging om in het begin alles te lezen. Lezen
is vermoeiend en als er dan geen nuttige informatie staat wordt je nodeloos vermoeid. Het
komt bijvoorbeeld op tentoonstellingen met oudere schilderijen regelmatig voor dat men een
werk ziet hangen, voorstellende enkele appelbomen. Op de mooie grote lijst ziet men dan een
koperen plaatje met daarin gegraveerd `Appelboomgaard'. Voor alle duidelijkheid heeft de
tentoonsteller er dan nog een kaartje naast gehangen waarop we lezen `Appelbomen'. Dat
komt natuurlijk omdat men standaard naast elk werk een kaartje wil hangen, als men dan niet
over enige relevante informatie beschikt, schrijft men maar wat op, zelfs iets wat iedereen zelf
kan zien. Natuurlijk, de titel op dat kaartje verwijst vaak naar de catalogus, maar enerzijds kan
men daarvoor ook een nummer gebruiken terwijl u anderzijds moet bedenken dat niet
iedereen
een catalogus heeft.
Kortom, men kan beter consequent zijn in het vermijden van overbodige informatie, dan in
het
ophangen van kaartjes.
- Bij de mobiele teksten maken we onderscheid tussen de teksten die men tijdens de
tentoonstelling gebruikt als extra informatie naast de vaste teksten, en de catalogus die men
meestal
aanschaft om thuis nog eens na te genieten.
Wat de mobiele teksten voor tijdens de tentoonstelling betreft heeft men de keuze uit teksten
die de bezoekers na afloop mee naar huis mogen nemen en teksten die men na het bezoek
terug
moet inleveren. Verwacht men veel bezoekers dan kan men uit financi‰le overwegingen
kiezen
voor deze laatste mogelijkheid. Voor de bezoekers moet het dan ook duidelijk zijn dat deze
teksten terug ingeleverd moeten worden én na herhaaldelijk gebruik dienen ze er nog
fatsoenlijk uit te zien. Dergelijke teksten kan men daarom het best in een plasticmapje (met
bijvoorbeeld een mooi groot kleurig lint aan) klaarleggen.
Zoals we hierboven reeds schreven: catalogi zijn voor veel bezoekers een belangrijk middel
om
nog eens na te genieten. Daartoe dienen catalogi aan een aantal voorwaarden te voldoen. Op
de eerste plaats moet in de catalogus het werk besproken worden wat op de tentoonstelling te
zien was. Het gebeurt herhaaldelijk bij reizende tentoonstellingen dat er op een zeker moment
werk gewisseld wordt. Of dat een tentoonstelling gesplitst wordt en dan met enkele aanvulling
en gepresenteerd wordt. Als er in de catalogus meer werk besproken wordt dan wat er te zien
was op de tentoonstelling is dat niet zo erg. Wel vervelend is het als werk te zien was, wat niet
in de catalogus is opgenomen. In een dergelijk geval is het aan te bevelen om bij de catalogus
een inlegvel te leveren met daarop de extra informatie.
Onder Audio-teksten vallen zowel de mobiele als de vaste gesproken teksten. Een vaste
gesproken tekst kan onderdeel uitmaken van de tentoonstelling, bijvoorbeeld om de stem te
laten horen van de persoon waarover een tentoonstelling gaat. Een gesproken tekst kan ook
een toelichting zijn op wat we zien. Er staat dan een soort praatpaal bij het tentoongestelde en
men kan dan vaak kiezen uit een viertal talen (die meestal geen van allen goed te verstaan
zijn).
Mobiele gesproken teksten staan meestal op cassettebandjes. Bij de ingang van de
tentoonstellingsruimte kan men dan een geluidsdrager huren. Middels een oortelefoon hoort
men dan de
weergegeven ingesproken tekst.
Het is een vervanging van een gids, maar het heeft meer
na- dan voordelen. Aan een gids kan men nog eens iets vragen. Is men echter met een grote
groep dan kunnen niet al te veel mensen van deze mogelijkheid gebruik maken. Een gids kan
meestal veel meer enthousiasme opwekken dan een meeneemfolder of cassettebandje. Zeker
bij
een ingesproken tekst is dit het geval. Men heeft geen overzicht van wat er allemaal op het
bandje staat. Men is verplicht de geplande route te volgen. Als men iets ziet waarover men
eigenlijk meer zou willen weten, dan kan men niet zien waar die informatie eventueel op het
bandje staat.
Men weet niet hoe lang een verhaal duurt, zodat men praktisch verplicht is om ook een
oninteressant verhaal helemaal af te luisteren. Meestal is het heen en weer spoelen niet echt
eenvoudig zodat het eventueel herhalen van een stuk tekst niet al te makkelijk gaat.
Dat neemt niet weg dat audio-teksten op cassettebandjes ook hun nut kunnen hebben.
Bijvoorbeeld voor jonge kinderen, voor mensen die niet of slecht kunnen lezen, voor blinden
en
slechtzienden of gewoon voor mensen die hun leesbril vergeten zijn.
Er zijn tegenwoordig ook audio-systemen die met een chip werken. Bovengenoemde nadelen
zijn daarbij verleden tijd. Men kan de route volgen die men wenst te volgen. Wil men
toelichting over een bepaald object dan drukt men het nummer van dat object in en mijn krijgt
de
passende tekst te horen.
Over de P-teksten valt veel te zeggen maar dat heeft weinig met het onderwerp `teksten' en
veel met `beleid' te maken.
Onder de P-teksten vallen eigenlijk alle promotionele teksten. Het maakt in principe niets uit
of
het nu om reclame gaat voor een frisdrank of om reclame voor de komende
schouwburgvoorstelling.
De P-teksten komen steeds vaker en werkelijk overal voor. In catalogi, in losse folders, we
zien ze zelfs bij vaste teksten variërende van: "Deze materialen zijn beschikbaar gesteld
door de
kruiersbedrijf Plipplop" tot "Brilslang, geadopteerd door ....".
In principe is er niets tegen een P-tekst, ook dagbladen en tijdschriften plaatsen advertenties,
de vraag is alleen waar ligt de grens tussen goede informatie en zogenaamde `Advertorials'
(door de redactie geschreven advertenties die nauwelijks van de gewone berichtgeving te
onderscheiden zijn).
Over het gebruik van teksten
Bij het indelen van de tentoonstelling moet men alvast rekening houden met de hoeveelheid
tekst en het te verwachten aantal bezoekers. Iemand die een tekst wil lezen hoort niet in de
weg te staan van iemand die naar een bepaald iets wil kijken. Verschillende voorwerpen, met
veel tekst, hoort men om allerlei redenen niet naast elkaar op te hangen of te plaatsen. Op de
eerste plaats is het vermoeiend veel tekst achter elkaar te moeten lezen en op de tweede plaats
kan er een opeenhoping van bezoekers ontstaan. Mensen gaan dan dringen waardoor sommige
mensen helemaal geen tekst kunnen lezen en andere halverwege de tekst weggeduwd worden.
U moet dus de ruimte zodanig inrichten dat bij een voorwerp waar noodzakelijkerwijs veel
tekst bij hangt, er plaats is voor verschillende mensen en dat men het kijken naar het volgende
werk niet stoort.
Met voorwerpen die écht veel tekst nodig hebben moet men voorzichtig omgaan.
Bijvoorbeeld
door de tentoonstelling er naartoe te bouwen. Door ze een bijzondere status te geven. De
teksten moeten ook van groot belang zijn, anders kun je ze net zo goed achterwege laten.
Daarbij moet de tekst ook goed aansluiten bij de andere delen van de tentoonstelling. Als de
tekst niets met de tentoonstelling te maken heeft, kan hij ook beter achterwege blijven. Zo zou
het kunnen zijn dat men, bij het maken van een tentoonstelling over de vormgeving van
uurwerken, een zakhorloge van de een of andere beroemdheid krijgt. Men heeft dan de
neiging
om bij dat horloge ook van alles over die beroemdheid op te schrijven. Bij één
enkel voorwerp
zou dat nog kunnen, maar indien u dan bij elk voorwerp zo'n verhaal plaatst dan zal de
bezoeker maar weinig over de vormgeving te weten komen.
Eventueel kan dergelijke aanvullende tekstuele informatie wel opgenomen worden in een
boekje of op een aparte folder. Dit laatste is bv wél interessant als die informatie
weliswaar niet
veel met de huidige tentoonstelling te maken heeft , maar wel met een komende.
Waar veel teksten te lezen zijn, is het verstandig om, indien mogelijk, zitbanken te plaatsen.
Naarmate men verder in de tentoonstelling komt, moeten de teksten korter worden of
helemaal
verdwijnen in verband met de vermoeidheid van de bezoekers die daardoor op het einde
minder aandachtig kijken.
Er zijn veel typische fouten. Wie erop gaat letten ziet er steeds meer. Ook bij zichzelf. Wat
regelmatig voorkomt is dat men vergeet dat de bezoeker vaak een leek is. Wat voor iemand
die
in een bepaalde materie goed thuis is, vanzelfsprekend is, hoeft voor een willekeurige
bezoeker
niet zo te zijn. Men treft bij het tentoongestelde dan ook regelmatig informatie aan over hoe
oud iets is, over het materiaal waarvan het gemaakt is maar niets over het gebruikt ervan.
Soms staat er wel bij waarvoor iets gebruikt wordt maar niet hoe.
Over de teksten zelf
Uiteraard is de opbouw van de tekst erg belangrijk. Dat geldt ook voor de titel en de inleiding.
De titel moet de lading goed dekken en de inleiding moet enerzijds bij de lezer de
nieuwsgierigheid opwekken om verder te lezen en anderzijds ook duidelijk maken wat men
kan
verwachten in de daarop volgende tekst.
Dan de tekst zelf. Die moet logisch in elkaar zitten. De tekst moet zo naadloos mogelijk
aansluiten op de andere informatie. Het taalgebruik moet afgestemd zijn op de doelgroep(en)
en de teksten moeten prettig leesbaar zijn, waarbij de stijl moet passen ‚n bij het onderwerp ‚n
bij de doelgroep.
Hoe minder woorden hoe beter maar dat kan niet altijd. Men dient er in ieder geval op te
letten
om te lange zinnen te splitsen en men moet trachten de blokken tekst te elementariseren
(verdelen in gepaste onderdelen).
Bij het schrijven moet men zoveel mogelijk uitgaan van het bekende (vandaar dat het zo
belangrijk is de doelgroep te kennen). Als het even mogelijk is moet men trachten de tekst te
actualiseren. We moeten ook zo concreet mogelijk blijven, onder meer door abstracte
begrippen herkenbaar te maken. Dit laatste kan vaak bereikt worden door te zoeken naar
analogieën
(het vergelijken met soortgelijke dingen).
Over het schrijven van de teksten zelf nog twee belangrijke opmerkingen. Op de eerste plaats
is het zeer aan te bevelen om de teksten door verschillende mensen te laten lezen. U zult
merken dat zelfs na herhaaldelijk lezen er nog steeds fouten in de teksten zitten.
Op de tweede plaats is het al evenzeer aan te bevelen alle teksten door een persoon te laten
schrijven en dan liefst niet iemand die vreselijk veel van het tentoongestelde afweet.
Over de vormgeving
De vormgeving moet consistent zijn toegepast en herkenbaar in de tentoonstelling zijn ge
bruikt. Er moet een duidelijk verschil zijn tussen de teksten, nodig om van de tentoonstelling
te
genieten (vooral aansluitend op wat bekend wordt geacht) en die om thuis na te lezen (meer de
nieuwe dingen)
Er moet ook een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen A-, B- en C-teksten.
Over het gebruik van lettertypes: 't is leuk om mooie, aparte lettertypes te gebruiken, maar ze
zijn vaak vreselijk vermoeiend om te lezen. Bij grote stukken tekst bij voorkeur gebruik
maken
van een schreefletter. Het verschil tussen een schreefletter en een schreefloze letter is slechts
een klein schreefje maar qua leesgenot scheelt het enorm. De schreefjes zorgen er namelijk
voor dat een woord een geheel wordt, bij een schreefloze letter blijven het altijd losse letters.
Er zijn zeer veel verschillende lettertypes, allemaal passende bij uiteenlopende tekstinhouden.
Van die verschillende lettertypes heeft men dan meestal nog de varianten vet en Italic. Bij de
meeste drukkerijen kan men een "letterproef" opvragen. Stukken tekst gezet in de
verschillende lettertypes en -soorten.
Verschillende lettertypes en lettergroottes zijn bijzonder handig om de bezoekers meteen
duidelijk te maken dat het gaat om bijvoorbeeld een A- of B- tekst. Ook kan men
verschillende
ruimten verschillende kleuren geven, enzo verder.
Tot slot nog een goede raad over de vormgeving van de teksten. Op de meeste computers kan
men aan `vormgeving' doen. Het goed kunnen vormgeven is echter iets wat maar weinig
mensen aangeboren is. Het ziet er voor een leek vaak allemaal heel mooi uit, maar wie dan
eens een échte vormgever/typograaf (en geen beeldend kunstenaar die denkt het
vormgeven
ook wel te kunnen) over het gepresteerde hoort begrijpt pas goed, wat er allemaal bij komt
kijken.
Voor de goede orde: aan deze cursus is (nog) niet meegewerkt door een vormgever.