Algemene Basisopleiding Tentoonstellen
door © Roby Bellemans
tekst cursusboek
OPGELET:
Deze tekst mag uitsluitend voor eigen gebruik afgedrukt worden. Het is niet toegestaan om
zonder toestemming delen ervan op de een of andere manier te publiceren.
Helaas voor ons dachten de uitgevers dat er een te kleine doelgroep was voor het handboek
waardoor het drukken ervan commericeel gezien niet interessant was. En wij vonden het weer
jammer van het vele werk wanneer er niets met gedaan zou worden.
Vandaar ons besluit om het handboek dan maar integraal op internet te zetten. U hoeft dus
niets te betalen voor het gebruiken van dit materiaal, maar dit betekent niet dat u er geen
vergoeding voor mag geven.
Qua vergoeding mag u denken aan een bedrag tussen de 10 en 25 euro. Instellingen die het
handboek als lesmateriaal willen gebruiken kunnen ook een dergelijk bedrag per kopie aan
ons
overmaken. Met die inkomsten kunnen wij weer leuke andere dingen bedenken en
uitvoeren.
De vergoeding kunt u storten op onze girorekening 216886 o.v.v. cursusboek
tentoonstellen.
Terug naar
homepage
deze site bevat deel 3a
Deel I - Beleid & marketing:
1 de verschillende manieren om met tentoonstellen bezig te zijn
2 marketing
3 het beleid bepalen
4 een beleidsplan opstellen
5 promotie en publiciteit
Deel II - Zakelijk:
1 de zaken
2 contracten
3 het auteursrecht
4 verzekering
5 im- en export
Deel III-A: de
tentoonstelling
1 concept tentoonstelling
2 presentatie
3 het loopplan
4 de verschillende manieren van tentoonstellen
Deel III-B: de
tentoonstelling
1 maquettes en modellen
2 de verlichting
3 presentatiemiddelen
4 ophangsystemen
5 teksten
Deel III-C: de
Tentoonstelling
1 het werkplan
2 de begroting
Deel IV-A: de
werkzaamheden
1 de intake
2 ingelijst werk
3 tentoonstellen in een andere ruimte
4 transport
Deel IV-B: de
werkzaamheden
1 tijdens de tentoonstelling
2 na de tentoonstelling
3 het archief
Deel V: uit de praktijk
1 een onderzoek
2 evaluatie
met dank aan de volgende mensen voor hun bijdragen en adviezen:
Deel I: Gerrit Staal (marketing director Philips International),
Deel II: Jan Bartz (gevolmachtigde verzekeringsmij Nieuw-Rotterdam), Willem Sleijster
(hoofd douanekantoor Terneuzen).
Deel III-B: Wim Clarijs (maquettebouw),
Deel IV-A: Muskie Engels (kunsttransport),
Deel III-a - De tentoonstelling
1 concept tentoonstelling
2 presentatie
3 het loopplan
4 de verschillende manieren van tentoonstellen
III-A.1 Concept van een tentoonstelling
Met het concept bedoelen we de algemene ideeën van waaruit we een tentoonstelling
ontwikkelen. Hoe we een idee vorm geven en verder uitwerken behandelen we verderop in de
cursus.
Inleiding
Tentoonstellingen zien we overal. In principe zijn we allemaal voortdurend bezig met
tentoonstellen. Het produkt dat we tentoonstellen zijn wijzelf. Het begint al als men wakker
wordt.
Men neemt een bad, scheert zich - of juist niet. Men denkt na over wat men die dag gaat doen
en vervolgens kiest men daar passende kleding bij.
En dat gaat zo de hele dag door. Als men ergens gaat zitten, wordt die plaats zorgvuldig
gekozen; de ene keer zijn het vooral praktische redenen om ergens te gaan zitten, de andere
keer esthetische overwegingen.
Als we op straat lopen, zien we niets anders dan tentoonstellingen. Sommige mensen zijn
duidelijk gekleed om zich op straat te begeven, anderen niet. Elk huis, elke etalage, in zekere
zin elke auto of fiets; het zijn allemaal grote of kleine tentoonstellingen. De
straatarchitectuur...
er is allemaal over nagedacht. De groenteboer die zijn fruit uitstalt doet dat op een zodanige
manier dat er goed verkocht wordt, dat de bijzondere aanbieding opvalt.
begrenzing
Het maken van een tentoonstelling is geen lopende band werk. Ook al heb je de ene tentoon
stelling na de andere. Het werken in een boekhandel bijvoorbeeld is evenmin lopende band
werk en het is evenzeer afwisselend. Maar dat is een ander soort afwisseling. Het typische aan
tentoonstellingswerk is dat er steeds een duidelijk begin en einde is. Het begint bij het vormen
van het idee en eindigt met de evaluatie.
Een tentoonstelling heeft ook een inhoudelijke begrenzing of anders gezegd: beperkingen. Het
thema moet dicht bij de mensen staan en mag zeker niet te omvangrijk zijn. Een
tentoonstelling
over het thema "tentoonstellen" is bijna niet te realiseren. Als we het thema gaan uitdiepen
komen we al dichter in de buurt van het realiseerbare: bv "de tentoonstelling als communicatie
middel" of "waaraan moet een educatieve tentoonstelling voldoen" e.d..
Een tentoonstelling biedt mogelijkheden die andere media vaak niet geven. Bij een
tentoonstelling kunnen we niet alleen met afbeeldingen werken, maar ook met "echt"
materiaal.
Men kan
de dingen "met eigen ogen zien". Men kan kijken en keuren en zelfs geluid is goed te
gebruiken.
De begrenzing wordt ook bepaald door de doelgroep.
"Hoe trek je publiek" heeft min of meer direct te maken met de breedte van het thema
enerzijds
en anderzijds de afstandelijkheid. Een tentoonstelling over "Briefwisseling en alles eromheen"
is veel breder en moeilijker te verkopen dan bv: "de postzegel in Nederland tussen 1930 en
1945". In dit laatste geval hoeft er bij wijze van spreken slechts een enkele berichtje in een
gespecialiseerd blad te staan en de doelgroep is bereikt. Een tentoonstelling over de "glas- en
tuinbouw" zal in de glas- en tuinbouwregio meer volk trekken dan elders. Het is een oud
gezegde: "Wat de boer niet kent, vreet hij niet". Dat geldt ook voor de bezoekers van
tentoonstellingen; als het onderwerp onbekend is, komen er weinig bezoekers.
Een tentoonstelling wordt gemaakt voor de bezoekers, de doelgroep dus. Die doelgroep moet
er dan ook op de een of andere manier belang bij hebben. Bijvoorbeeld als het bezoeken van
een tentoonstelling past binnen het kader van een studie. Men gaat ook naar tentoonstellingen
gewoon uit interesse, of om erover mee te kunnen praten...
het begin van een tentoonstelling
Tentoonstellen betekent overdracht van informatie gebruikmakend van het visuele. De
essentie
is de overdracht van informatie. Dus moeten we ons op de eerste plaats afvragen of, in dit
specifieke geval, een tentoonstelling wel het beste medium is. Een brochure, een film of een
ander alternatief kan veel beter zijn. Waarom dan toch de keuze voor een tentoonstelling?
Mogelijk omwille van het praktische, de financiën etc..
Als tentoonsteller moet je die afweging maken en daar moet je ook eerlijk in zijn. Het zal
regelmatig voorkomen dat andere activiteiten veel beter zijn om het doel te bereiken. Dat
betekent niet dat je je de kaas van het brood moet laten eten. Je zult moeten zoeken naar een
oplossing waarbij een tentoonstelling dan toch weer noodzakelijk wordt.
Een voorbeeld uit de praktijk:
Jaren geleden kwam een docent Nederlands, van een technische school, bij mij met het
verzoek
een activiteit op te zetten om bij de leerlingen van die school enige belangstelling voor
poëzie te wekken. Het probleem was dat de leerlingen het schrijven en lezen van een
gedicht niet als
erg "stoer" beschouwden.
Bladerend in een boek over de gemeente Axel (waarin de school stond) las ik dat Axel zo'n
vijfhonderd jaar geleden bevrijd werd door Sir Philip Sidney, een befaamd veldheer die voor
Willem II verschillende veldslagen won. Diezelfde Sir Philip Sidney was idolaat van
poëzie, en
wel dusdanig dat het boek dat hij over pozie schreef in Engeland nog steeds uitgegeven
wordt.
De gemeente Axel vierde in die periode net die bevrijding van vijfhonderd jaar geleden,
waarna
vervolgens een en ander snel geregeld was. De jongens van de Technische school
bestudeerden
het leven van Sir Sidney, schreven gedichten over het thema "Bevrijding", maakten daar zelf
lijsten voor en hingen de ingelijste gedichten op in het stadhuis.
De Burgemeester opende de tentoonstelling en de jongens stonden er trots bij.
Dit is dus een voorbeeld van hoe je met behulp van een tentoonstelling de instelling van een
doelgroep kunt veranderen.
U heeft, als de oefening goed ging, gemerkt dat het stellen van vragen in het begin lastig is,
maar al vragende komen er alleen maar meer vragen. Er zijn, over een voorwerp, honderden
vragen te bedenken. Schematisch weergegeven hebben we de volgende invalshoeken:
...............................historie......................................
...............................produktie..................................
.........grondstoffen....................onderdelen
.................................verkoop...................................
............distributie..........................verpakking...........
.................................gebruik.....................................
............informatie.........resultaat.......alternatieven......
Als u de door u opgeschreven vragen ordent dan zult u zien dat ze in dit schema passen.
Het stellen van vragen moet een tweede natuur worden. In principe kan men deze vaardigheid
op alles en nog wat oefenen. Stap bijvoorbeeld binnen in een winkel waar gereedschap
verkocht wordt en zoek een stuk gereedschap dat u niet kent. Door het gewoon te bekijken en
je
vragen te stellen kunt je er hoogst waarschijnlijk achter komen waarvoor het dient en hoe het
gebruikt wordt. Waarom zit er daar een schroefje? Waarom scharniert het daar?...
Waarom - Wat - Hoe
Voor een tentoonsteller is het van primair belang vragen te kunnen stellen. Elke
tentoonstelling
begint ermee: Waarom die tentoonstelling en wat willen we ermee bereiken?
Wat gaan we tentoonstellen? en Hoe gaan we dat doen?
Tentoonstellingen worden vaak in opdracht gemaakt. Als tentoonsteller moet u de
opdrachtgever zoveel mogelijk uithoren, zodat u naar zoveel mogelijk ingangen kunt zoeken.
Stel dat u een tentoonstelling moet maken over een specifiek onderwerp voor een bepaalde
doelgroep. Door het stellen van al die vragen inventariseer je de verschillende mogelijke
invalshoeken. Zowel naar het onderwerp als naar de doelgroep toe. Hoe meer invalshoeken,
hoe
meer kans men heeft overeenkomsten te ontdekken. Overeenkomsten zijn potentiële
aanknopingspunten van waaruit men de tentoonstelling kan ontwerpen.
Waarom, de doelstellingen:
De doelstellingen kunnen betrekking hebben op de inhoud van de tentoonstelling:
Soms wil men iets duidelijk maken, bijvoorbeeld met een tentoonstelling over vandalisme.
Soms wil men alleen maar iets laten zien, zoals beeldende kunst.
- algemeen: onderhoudend, passief gebruik;
- specifiek: educatief, actief gebruik, gedrags-benvloeding;
De doelstellingen kunnen ook niet direct in verband staan met de inhoud van de
tentoonstelling.
Soms heeft men een ruimte vrij en stelt men die tijdelijk ter beschikking omdat een lege
ruimte
ongezellig is.
Soms beoogt men middels een tentoonstelling een bepaald publiek te bereiken.
Met name deze laatste doelstellingen maken het voor de tentoonsteller niet eenvoudig. Het
zijn
als het ware doelstellingen die bovenop de andere doelstellingen komen.
Ook al organiseert men een tentoonstelling om de ruimte te vullen, dan nog dient die tentoon
stelling aan bepaalde eisen te voldoen.
Wat: de inhoud
Aangezien we een tentoonstelling altijd maken voor een doelgroep, zijn er verschillende
zaken
van belang:
- is er nu of in het verleden al iets, bv via andere media, op dit gebied gebeurd;
- wat is de betrokkenheid van de doelgroep;
- wat is de voorkennis en het algemeen kennisniveau;
- hoe denkt de doelgroep;
- is er identificatie mogelijk;
- kunnen we werken met aangepaste taal & beelden;
Een tentoonstelling moet een combinatie zijn van bekend en nieuw materiaal. Men komt
eerder
naar een tentoonstelling waarop uitsluitend bekend materiaal is te zien, dan naar een tentoon
stelling met allerlei onbekend materiaal. Op grote tentoonstellingen, die honderdduizenden
bezoekers trekken, is vaak alleen het overbekende oeuvre van een beroemd kunstenaar te zien.
Voor de bezoeker is het van groot belang dat er op een tentoonstelling bekende zaken terug te
vinden zijn. Die dienen namelijk als oriëntatie- en referentiepunten.
Als tentoonsteller moet u ervoor zorgen dat die, bij de doelgroep aansluitende orintatie- en
referentiepunten, aanwezig zijn. Onder meer met het materiaal, de ruimte en de doelstelling.
Dat zijn niet altijd variabele gegevens, vaak ligt er al een en ander vast. Men heeft
bijvoorbeeld
een vaste tentoonstellingsruimte. Of men heeft bepaald materiaal dat gepresenteerd moet
worden.
Afhankelijk van die gegevens zal men als tentoonsteller een bepaalde werkwijze, volgorde
moeten aanhouden.
Hoe, de ordening:
De bezoeker wordt uitgenodigd om vanuit het hem bekende, nieuwe dingen te leren kennen,
nieuwe associaties te zien etc...
Daartoe dient de tentoonstelling een bepaalde ordening te hebben. Die ordening kan op allerlei
wijzen tot stand komen bv:
- historisch (tijd);
- thematisch (systematiek, categorien);
- procesvorm (laten zien hoe iets ontstaat);
- compositorisch (met name bij beeldende kunst);
- uitdiepen van een probleem
. 1) - voorstelling van het probleem
. - de context waarbinnen het zich afspeelt
. - de oplossing
. - het resultaat
. 2) - vanuit de verschillende invalshoeken;
Het concept van de tentoonstelling:
Bij het ontwerpen van een tentoonstelling moeten we met verschillende zaken rekening
houden. Vooral met het feit dat tentoonstellen een vorm van communicatie is en dat daarbij
altijd
een bepaald `verlies' optreedt. Dat verlies kan tamelijk groot worden.
Wat is communicatie? Kort gezegd komt het erop neer dat er iemand is die een boodschap wil
overbrengen aan iemand anders. De zender codeert die boodschap en via een medium komt ze
bij de ontvanger die ze decodeert.
Laten we als voorbeeld een vertaald boek nemen.
De schrijver heeft een idee en geeft dat middels taal zoveel mogelijk vorm. Een taal heeft zijn
beperkingen, de schrijver ook, dus het lukt niet om het gedachtengoed voor 100% om te zetten
in taal. In het beste geval vinden we 90% van het oorspronkelijk gedachtengoed terug. De
vertaler leest dat boek en gaat het interpreteren. Dat lukt ook niet voor de volle 100%, laat ons
zeggen ook voor 90%. Nu moet die vertaler het weer omzetten in een andere taal en dat wordt
vervolgens weer gelezen, en geïnterpreteerd, door de uiteindelijke lezer. Wat overblijft
zou nog
zo'n 65% van het oorspronkelijke gedachtengoed kunnen zijn. Het kan ook wel eens anders
om: soms is de film beter dan het boek.
Als tentoonsteller bent u de zender die het materiaal codeert en enkele-richting-ontvanger
stuurt. De bezoeker is de ontvanger die uw boodschap decodeert. Als de boodschap niet goed
is overgekomen is er niet altijd de mogelijkheid om een verduidelijking te vragen. Als tentoon
steller moet u daarom trachten zo duidelijk mogelijk te zijn. De boodschap moet niet alleen
aankomen maar ook overkomen en geloofwaardig zijn. Een aantal factoren spelen daarbij een
rol. Op de eerste plaats het storend werken van neveninvloeden. Als uw boodschap is: "Dit
zijn
mooie schilderijen, geniet daarvan", dan moet zo iemand ook de ruimte krijgen om te
genieten.
Op de tweede plaats de kwaliteit van de informatie. Die wordt bepaald door wat je meer geeft
dan hoogst noodzakelijk is. Tot slot is er de kwestie van oververzadiging: teveel informatie
zodat het niet meer werkt.
III-A.2. Presentatie technieken
Inleiding:
Eenzelfde object kunnen we laten zien in verschillende verbanden. Nemen we als voorbeeld
een
blik soep. In een museum kunnen we dat op verschillende manieren tegenkomen: als
`Campbell-soep-zeefdruk' van Andy Warholl; iets verder zien we een muziekinstrument uit
Zaïre,
gemaakt van een soepblik, terwijl we in de kantine het blik als `soep' gepresenteerd
zien.
Met deze voorbeelden in ons achterhoofd kunnen we éénzelfde blik soep ook
op
drie
verschillende manieren presenteren:
- kunstzinnig: met bijvoorbeeld een mooie verlichting;
- technisch: het is metaal en daar kun je veel mee doen;
- functioneel: er zit soep in en die kan lekker smaken;
Afhankelijk van de invalshoek die men kiest zal men op een andere manier presenteren. Als
tentoonsteller kunt u niet deskundig zijn op al die gebieden. Daarom is het zeker in de
beginjaren verstandig om regelmatig advies te vragen. Uiteraard moet u voor een
tentoonstelling die
tweehonderd gulden oplevert geen advies vragen waarvoor u honderd gulden moet betalen.
vorm versus inhoud
De kans is groot dat degene die u advies heeft gegeven, voor zijn advies is uitgegaan van het
ten toon te stellen object, en niet van de doelgroep, en de reden waarom je dat object wil
tentoonstellen.
Dat is iets dat men bijna automatisch doet: men denkt vaak vanuit de eigen wereld en vergeet
dat men zichzelf niet als vertegenwoordiger van de doelgroep mag beschouwen.
Een tentoonsteller moet daar goed op letten: houd de noodzakelijke afstand van het te
presenteren werk en tracht de doelgroep goed voor ogen te houden.
Bij het presenteren heeft men de neiging om iets `mooi' te presenteren.
Als tentoonsteller moet u echter niet kijken naar mooi of lelijk. Van belang is wat u ermee
kunt
doen, hoe functioneel het is.
Van Wassily Kandinsky is de uitspraak dat de uiterlijke vorm slechts één
mogelijke expressie is
van het innerlijke. En dat is nu precies het uitgangspunt van de tentoonsteller: niet de
uiterlijke
vorm van iets is belangrijk, maar wát het is.
Kandinsky was docent aan Bauhaus, een van de befaamdste opleidingsinstituten aan het begin
van deze eeuw. Hij gaf daar les samen met onder meer Johannes Itten, Paul Klee, en nog zo'n
aantal indrukwekkende kunstenaars/docenten.
Vorm betekent niets als men niet weet wat de inhoud is. Johannes Itten demonstreerde dat
heel
plastisch. Tijdens een van zijn lessen liet hij een mandje citroenen natekenen. Na een uurtje
zag
men dat iedereen dat mandje citroenen precies had getekend zoals het eruit zag. Itten stelde
toen de vraag of iemand, die niets van citroenen wist, na het zien van al die nagetekende
mandjes, zou weten wat een citroen was? Waarschijnlijk niet. Vervolgens nam Itten enkele
citroenen uit het mandje, sneed ze doormidden en stak elke student een halve citroen in de
mond. Hij zij: "Nu moet je tekenen wat je proeft, niet zoals het eruit ziet, maar wat het
ís."
Voor iemand die tentoonstellingen maakt is dit iets dat men voortdurend voor ogen moet
houden. Men is vaak teveel met de vorm bezig en te weinig met de inhoud. Als u erop gaat
letten valt het op hoe vaak bijvoorbeeld tekstbordjes niet, of slecht, te lezen zijn; óf
door het
bijzondere lettertype, óf doordat de belichting of plaatsing mooi, maar niet functioneel
is.
Het gaat erom dat je dát, wat je wilt laten zien, zo goed mogelijk laat zien. En om dat
doel te
bereiken komen presentatietechnieken uitstekend van pas.
presenteren: een kwestie van licht, kleur en ordening
In deel III-B wordt de belichting uitvoerig behandeld, hier zullen we het voornamelijk hebben
over de ordening, en in dat verband ook over kleur.
Een presentatie is een compositie. Die kan twee- of drie-dimensionaal zijn. Een vlak heeft
twee
dimensies: hoogte en breedte. Een ruimtelijk werk heeft drie dimensies: hoogte, breedte en
diepte.
Bij een twee-dimensionale presentatie kan men diepte suggereren. Een drie-dimensionale
ruimte kan zo slecht gebruikt zijn, dat ze twee dimensionaal lijkt.
"Dit is geen pijp"
Op een van de beroemdste schilderij van Margritte zien we een pijp met daaronder in het
Frans
de tekst "Dit is geen pijp". Dat klopt want het schilderij stelt een pijp voor, het ís er
geen. Het blijft gewoon een schilderij.
Bij het maken van een presentatie of etalage wordt er altijd iets gesuggereerd. Door iets te
presenteren geeft men zoiets vanzelf een bepaalde meerwaarde. U wilt iets laten zien omdat u
dat belangrijk vindt. En u probeert ervoor te zorgen dat de toeschouwer het op de manier ziet,
zoals u wilt dat het gezien wordt.
U wilt bijvoorbeeld een gevaarlijk hakbijl laten zien. Als zo'n hakbijl iets boven ooghoogte
wordt gehangen ziet ze er veel gevaarlijker uit dan wanneer ze netjes op een tafeltje
ligt.
Algemeenheden:
We schreven het al: een presentatie moet u zien als een compositie, een bepaalde ordening. De
`compositie' is hoe u bepaalde vormen verdeelt in een vlak of ruimte. Een compositie bestaat
dus én uit vormen én uit ruimte. In een compositie zijn lege plekken, ruimte
dus, net zo functioneel als de gevulde. Wanneer men bijvoorbeeld vijftig lepels naast elkaar
legt, de ene lepel direct tegen de andere, dan zal de bezoeker een `blok' lepels zien. Laat nu de
eerste lepel liggen, haal de volgende negen weg, laat de elfde lepel liggen, haal de volgende
negen weg, enzoverder tot er nog maar vijf lepels liggen. De bezoeker zal dan niet
één (blok)lepel(s) zien
maar vijf afzonderlijke lepels.
Een compositie moet overzichtelijk zijn, letterlijk en figuurlijk. Ons blikveld heeft zijn
beperkingen, vooral in de hoogte. Staat de kijker op een meter afstand, dan mag de hoogte van
de
compositie maximaal zo'n vijftig centimeter zijn. Om iets van anderhalve meter hoogte te
overzien moet men op een afstand van zo'n drie meter staan. Kleine voorwerpen ziet men dan
niet meer.
Ook figuurlijk moet een compositie overzichtelijk zijn. Alles wat we tentoonstellen heeft een
vorm en die is altijd terug te brengen tot een bepaalde basisvorm. Belangrijke
twee-dimensionale vormen zijn bijvoorbeeld: het vierkant, de driehoek, de cirkel. Hun
drie-dimensionale
tegenhangers zijn: de kubus, de piramide en de bol.
Kleuren
Bij een presentatie moet men er naar streven om niet al te veel verschillende vormen te
gebruiken. Dat geeft enerzijds de compositie eenheid en anderzijds krijgt een afwijkende
vorm
extra nadruk.
Dat streven naar eenheid geldt ook voor het kleurgebruik. Die eenheid in kleurgebruik is ook
nodig om met kleuren te kunnen werken.
Kleuren staan voor een bepaalde sfeer, voor een bepaald gevoel. Zo kennen we koele kleuren
zoals blauw, blauwgroen, grijs en wit. Daar tegenover staan de warme kleuren: rood, oranje,
donkergeel, roodbruin en bruin.
We kennen actieve kleuren zoals bijvoorbeeld rood en oranje, maar ook passieve kleuren
zoals
bijvoorbeeld warm groen, een kleur die rustgevend is en een veilig gevoel overdraagt.
In een compositie waar er met allerlei kleuren door elkaar gewerkt wordt zal de ene kleur
bijvoorbeeld een rustgevend effect hebben, terwijl een andere gebruikte kleur precies het
tegenovergestelde effect heeft. Wéér een andere kleur heeft
wéér een ander effect en zoverder.
Het resultaat is dan nihil. Het wordt een onrustig rommeltje.
Net zoals bij de vormen hebben we ook bij de kleuren een aantal basiskleuren, dat zijn de
primaire kleuren: rood, geel en blauw. Combineert men die kleuren dan krijgt men de
secundaire kleuren: rood en geel geven oranje, rood en blauw paars, en geel en blauw geven
groen.
Let wel op: het gaat hier om subtractieve kleurmenging. Dit is het geval als we verven
mengen.
Bij belichting heeft u te maken met additieve kleurmenging. Bij additieve kleurmenging zijn
de
drie basiskleuren donker-rood, donker-blauw en donker-groen. Wanneer u met verf deze drie
kleuren mengt krijgt u iets dat op zwart lijkt. Maar als u drie spots, met elke een van de
genoemde kleuren, op één punt richt krijgt u wit licht. In hoofdstuk III-B leest
u er meer over.
Er is overigens nog een derde manier om kleuren te mengen, namelijk het mozaïk. De
kleuren
staan dan als het ware `naast' elkaar. Mozaïk kennen we van de mozaïkvloeren,
van het
impressionisme (pointillisme) en in het dagelijkse leven van de televisie.
Op welke manier men de kleuren ook mengt, bepaalde zaken blijven altijd hetzelfde. Zo
blijven
rood & groen, blauw & oranje en geel en paars altijd contrastkleuren. `Contrastkleuren', het
woord zegt het zelf al, maken de kleur heel fel. Blauw is veel `blauwer' als het tegenover
oranje
staat dan wanneer het bijvoorbeeld tegenover groen staat. Zwart, wit en grijs blijven weer
altijd
neutrale tinten.
De twee-dimensionale presentatie
Tentoonstellers moeten vaak twee-dimensionaal werken. Hoe groter de tentoonstelling, hoe
moeilijker het dan is om zo'n tentoonstelling spannend te houden. Dat lukt het beste door de
composities van de verschillende opeenvolgende vlakken te variëren.
symetrische en asymetrische composities:
We beginnen met een onderscheid te maken tussen symetrische en asymetrische composities.
Van een symetrische compositie is er sprake als we ten opzichte van het verticale midden aan
beide zijden een gelijkwaardige massa en kleur zien. Dit levert een heel statisch, rustgevend
beeld op.
Het spreekt bijna vanzelf dat een asymetrische compositie het tegenovergestelde, een
dynamisch beeld, oplevert.
Wanneer u verschillende vlakken hebt in te delen dan moet u zoeken naar een goede
verhouding tussen statische en dynamische vlakken. Statische composities zijn bij voorkeur te
gebruiken als er veel informatie overgebracht moet worden. Gaat het meer om een
illustratieve
inhoud dan kiest u het best voor een dynamische compositie.
Een dynamische compositie kent dus geen symetrische indeling. Toch doet men er goed aan
om niet alles zomaar over het vlak te verdelen. Dat verdelen moet, om aantrekkelijk te zijn,
volgens bepaalde verhoudingen gebeuren. Een heel belangrijke verhouding is de `Gulden
Snede'.
Als voorbeeld nemen we de lijn AC en op die lijn punt B.
A___________________B______________________________C
De Gulden Snede is nu de verhouding:
AB/BC = BC/AC dit is ongeveer zoals 5/8 = 8/13.
Deze typische verhouding komen we overal tegen. Of het nu gaat om een slakkenhuis of de
takken van een kerstboom, de onderdelen verhouden zich allemaal volgens de Gulden Snede.
Beweging brengen in een compositie:
Een leeg vlak overziet men in een oogopslag. Op het moment dat men dat vlak gaat vullen
kan de kijker niet meer alles tegelijkertijd bestuderen. Na een eerste `overzichtsblik'
zal de aandacht zich vestigen op een bepaald onderdeel, vervolgens op een volgende
onderdeel. Als al die onderdelen evenwaardig en gelijkmatig over het vlak verdeeld zijn, dan
zal de
volgorde willekeurig zijn.
Wilt u dat de kijker de verschillende onderdelen in een bepaalde volgorde bekijkt, dan zult u
een compositielijn moeten aanbrengen. Dat kan op allerlei manieren.
Nemen we als voorbeeld dat u vijf foto's in een bepaalde volgorde wilt laten zien.
Een eenvoudige manier is om ze binnen het vlak in volgorde van links naar rechts te plaatsen
(fig 1). Wij zijn gewend om teksten van links naar rechts en van boven naar onder te
lezen. In
andere culturen leest men bijvoorbeeld van rechts naar links, zoals in het Arabisch. Onze
cijfers
komen uit het Arabisch en die lezen wij eigenlijk ook van rechts naar links. Als er 29 staat
zeggen wij dat er "negen en twintig" staat, en niet "twintig en negen".
Bij een tentoonstelling lopen we meestal ook van links naar rechts. De indeling van fig 1 is
dan
ook een makkelijk te bekijken volgorde; je komt vanzelf bij het volgende vlak terecht. Zeker
in
de tweede helft van een tentoonstelling kunt u daar goed gebruik van maken. De bezoekers
hebben dan toch al de neiging om meer door te lopen.
Hieronder de illustraties, door er
op te klikken wordt het beeld groter.
Van rechts naar links indelen is niet aan te bevelen, er is in het algemeen geen noodzaak en
het
is vermoeiend kijken. De bezoeker kan beter vermoeid raken doordat er zoveel interessante of
mooie dingen te zien waren, niet omdat het kijken vermoeiend was.
Van boven naar onder (fig 2) is ook een indeling die men makkelijk volgt. Men moet er echter
wel voor stil blijven staan. Zo'n indeling leidt niet automatisch naar het volgende vlak. Voor
een indeling van onder naar boven geldt hetzelfde als voor de indeling van rechts naar links.
Andere indelingen die statisch zijn zijn bijvoorbeeld de cirkel en de driehoek.
Fig 3 laat ons een compositie zien van links naar rechts en van boven naar onder. Een
diagonale compositielijn suggereert altijd beweging. Van boven naar onder werkt meestal
spanning
verlagend, net als in de muziek. Loopt de compositielijn diagonaal van onder naar boven (fig
4), dan werkt ze spanning verhogend.
We zagen bij fig 1 dat men makkelijk doorloopt en bij fig 2 dat men stil moet staan.
Combineren we nu bijvoorbeeld 1 met 3 dan zien we hoe die compositielijn (fig 5) de kijker
uitnodigt
om door te lopen, terwijl de combinatie van 2 en 4 (fig 6) eerder een visueel einde is van een
serie.
Er zijn uiteraard een heleboel combinaties mogelijk, zo zien we op fig 7 een combinatie van 3
en 4. Op fig 8 zien we hoe de foto's willekeurig zijn verspreid over het vlak, er is geen gebruik
gemaakt van een compositielijn. Opdat de toeschouwer toch de juiste volgorde zou aanhouden
zijn er lijnen geplaatst.
Op het eerste zicht lijkt een dergelijke verdeling een zeker speelsheid te hebben. Aan de
andere
kant is het zo dat men de kijker aan het handje meeneemt van foto naar foto, dat is leuk voor
kinderen, maar of volwassenen dat zo'n prettig gevoel vinden is maar de vraag.
drie-dimensionale presentaties
Bij twee-dimensionale composities is de begrenzing vrij duidelijk, bij drie-dimensionale
presentaties is dat niet zo. Die zal altijd een wisselwerking aangaan met de omgeving. Als
tentoonsteller moet u zich naar niet alleen bewust van zijn, u moet dat gegeven ook gebruiken.
De bezoeker betreedt op een bepaalde manier een ruimte. Het eerste wat zo iemand dan doet
is
rondkijken, precies op dezelfde manier zoals men een compositie bekijkt. Na een eerste
oogopslag wordt men aangetrokken door iets en van daaruit begint dan de verdere verkenning
van
wat er allemaal in die ruimte te zien is. Daarom moet u die ruimte zien en indelen alsof het
een
compositie is. Die ruimte moet een bepaalde sfeer uitstralen en die wordt gemaakt door de
verschillende presentaties.
Bij het maken van een presentatie moet u dus rekening houden met een wisselwerking van de
presentatie naar de ruimte toe én van de ruimte naar de presentatie.
Vooral bij rondreizende tentoonstellingen merkt men dat verschijnsel heel sterk. Eenzelfde
tentoonstelling kan er in de ene ruimte heel uitnodigend uitzien en saai in een andere ruimte.
Zelfs als het gaat om twee kale ruimtes.
Dat geldt ook voor het omgedraaide; sommige ruimtes zien er droevig uit, maar nadat ze
geschikt zijn gemaakt om er een tentoonstelling in te richten blijken ze allerlei mogelijkheden
te
hebben.
Het ordenen:
Hoewel je bij een ruimtelijke opstelling ook een symetrische presentatie kunt nastreven, is dit
niet aan te bevelen; wanneer de kijker een stap opzij doet is die symmetrie verdwenen.
Een driedimensionale ordening biedt meer mogelijkheden dan een twee-dimensionale. Men
kan
voorwerpen naast elkaar of achter elkaar plaatsen, hoger of lager.
Men kan de aandacht trekken door bewegende delen, opvallende kleuren, lichteffecten en
schaduwwerkingen.
Men kan het ruimtelijk effect nog vergroten door wat vooraan staat helderder te belichten.
Bij al die mogelijkheden moet u wel rekening houden met een aantal grondregels zoals:
- beperk het soort van opbouwmateriaal
- beperk het soort van decoratiemateriaal
- zet het zeker niet te vol
- etaleer in groepen met voldoende tussenruimte
- etaleer los van de achterwand anders wordt het vaak zo `plat'
Bij het maken van drie-dimensionale presentaties komen er ook veel praktische dingen om de
hoek kijken.
Soms heeft men last van hinderlijke spiegelingen: door glas in een hellende stand naar voren
te
plaatsen heb je daar minder last van én hoe meer licht hoe minder spiegeling.
Voor tentoonstellingen wordt er vaak met kostbaar materiaal gewerkt. Verluchting is daarom
erg belangrijk. Ga ook altijd na of het materiaal niet te veel te lijden heeft van het licht en de
warmte. In een verlichte vitrine wordt het bijvoorbeeld behoorlijk warm waardoor de lucht
veel
te droog wordt. In het algemeen is te droge lucht een ramp voor de meeste voorwerpen.
Vandaar dat u op zijn minst een bakje water in zo'n vitrine moet plaatsen (en er zorg voor
dragen dat dit steeds bijgevuld wordt).
Er zullen allerlei bezoekers rondlopen op de tentoonstelling. Zorg ervoor dat het materiaal dat
bereikbaar is voor (kinderhanden) daartegen ook resistent is. Bij het tweezijdig gebruik van
panelen moet u voorkomen dat er diefstalgevoelig
of makkelijk te beschadigen materiaal in het `zicht' staat.
En wat u zeker niet mag vergeten is het feit dat er zo regelmatig schoongemaakt moet worden.
Een tentoonstelling geeft de indruk verwaarloosd te zijn als men dode vliegjes en stof ziet
liggen.
III-A.3 Het loopplan.
Voordat we het loopplan ontwikkelen moeten we in ieder geval weten `wat' en `waarom' we
gaan tentoonstellen, en moeten we een goede omschrijving hebben van de doelgroep.
Waarom we gaan tentoonstellen behandelden we onder meer in deel I.
Wat we gaan tentoonstellen kan voor elke tentoonstelling totaal anders zijn. Afhankelijk van
wat we willen bereiken, wat er mogelijk is, wat de doelgroep is. Daar maken we de tentoon
stelling voor en daar moeten we dus zoveel mogelijk vanaf weten.
In zijn algemeenheid is het dan ook moeilijk te stellen wat we gaan tentoonstellen. Zo
hebben we ook te maken met enerzijds het materiaal dat we gaan laten zien, anderzijds met de
verwachtingen van de bezoeker en met wat wij van de bezoeker mogen verwachten.
Over de ordening van het materiaal valt echter wél een en ander op te merken.
Het materiaal
Een aantal zaken zijn zeer belangrijk: de volgorde van wat we willen laten zien, de dosering
en
de presentatie.
We gaan er hier even van uit dat de feitelijke keuze van ordening al gemaakt is. Stel dat
het gaat om een tentoonstelling over "de naaimachine" en dat er om bepaalde redenen voor
gekozen is de historische ontwikkeling te laten zien.
Dan kun je bij wijze van spreken elke halve meter een naaimachine neerzetten, te beginnen
met
de oudste links en eindigend met de meest recente rechts.
Men kan er ook voor kiezen om bijvoorbeeld de afstand tussen de naaimachines te laten
afhangen van de wijzigingen. Is er veel gewijzigd dan is er een grote afstand.
Weer een andere mogelijkheid is om te kiezen voor en parallel presentatie van bijvoorbeeld
lappen stof die genaaid zijn op de verschillende machines. Die laten dan zien wat mogelijk is
met een bepaalde machine.
De spanningsboog
Het komt erop aan dat je als tentoonsteller er in slaagt de spanning vast te houden. Dat kan
door de dosering van het materiaal. Een bezoeker die pas aan een tentoonstelling begint is nog
fris en wil graag veel dingen zien. Naarmate de tentoonstelling vordert wordt men meer en
meer vermoeid en dan wordt het steeds moeilijker om de aandacht vast te houden. Bij de
volgorde en de dosering moet je daar rekening mee houden.
De spanningsboog moet je zowel qua inhoud als presentatie gespannen houden.
Qua inhoud:
Aan het begin van de tentoonstelling moet je ervoor zorgen dat de bezoeker zich zo snel
mogelijk thuis voelt. Daarom moet de bezoeker bekende zaken tegenkomen. In een totaal
vreemd huis is niemand ontspannen en wie niet ontspannen is, staat zelden open voor nieuwe
dingen.
In het begin dus bekende zaken en tegelijkertijd de aanzet voor dat wat je, een eind verder, de
bezoeker wil bijbrengen. Men kan er zelfs voor kiezen, zeker bij grote tentoonstellingen, om
in
het begin van de tentoonstelling een beknopt overzicht te geven van wat er allemaal te zien zal
zijn. Dat overzicht heeft dan tot doel dat de bezoeker niet alleen weet wat hem te wachten
staat, maar dat die ook tijdens de tentoonstelling kan inschatten hoeveel er nog te zien is. Dat
is tamelijk belangrijk. Men gaat naar een tentoonstelling met bepaalde verwachtingen en soms
ook om slechts een specifiek deel van de tentoonstelling te zien. Het begin van de
tentoonstelling moet de bezoeker overtuigen om ook de rest te gaan zien. Je moet dan
bepaalde
verwachtingen wekken. Na afloop van het bezoek maakt de bezoeker de balans op: heeft de
tentoonstelling aan de verwachtingen voldaan? Hoe beter de informatie aan het begin van de
tentoonstelling is, hoe beter de bezoeker zijn verwachtingen kan aanpassen en daardoor is de
kans groter dat het bezoek naar tevredenheid kan afgesloten worden.
In het begin van de tentoonstelling heeft men dus veel verwachtingen. Daaraan moet voldaan
worden. Het materiaal kan echter niet gelijkelijk over de hele tentoonstelling verdeeld worden.
U moet er rekening mee houden dat het absorbtievermogen van bezoekers beperkt is. Daarom
moet, als er sprake is van veel noodzakelijke informatieoverdracht, het zwaartepunt daarvan
in
de eerste helft van de tentoonstelling liggen. De tweede helft van de tentoonstelling is er
vooral
voor de sfeer en de verwerking. In de tweede helft dus een mix van bekend en een herhaling
(wel op een andere manier) van het nieuwe materiaal.
Qua presentatie:
De presentatie moet altijd ondersteunend zijn aan de inhoud. Helaas is dat zelden het geval.
Het gebeurt vaak dat men beeldende kunstenaars of vormgevers te hulp roept om de
tentoonstelling een "leuk" of "artistiek verantwoord" uiterlijk te geven. Dat ziet er dan ook
altijd
leuk en artistiek verantwoord uit, maar om bijvoorbeeld de begeleidende teksten te kunnen
lezen moet je je dan wel in allerlei bochten wringen.
De meeste kunstenaars zijn niet gewend te denken vanuit de klant, dat druist ook in tegen hun
natuurlijke instelling. Zij moeten kunst maken en niet dat waar het publiek naar vraagt. Voor
een tentoonsteller ligt dat net andersom, die moet niet zozeer een mooie als wel een voor het
publiek op maat gesneden tentoonstelling maken.
Uiteraard kunnen anderen daar een ander idee over hebben, maar naar mijn mening hoort een
tentoonsteller bij het inrichten op de éérste plaats uit te gaan van het publiek
en
pas op de
tweede plaats vanuit het tentoongestelde.
Ter illustratie keren we even terug naar ons voorbeeld met de naaimachines. Om de
tentoonstelling aantrekkelijk te maken kan men ervoor kiezen om de machines op een heel
aparte
manier te presenteren en te belichten. Dat ziet er dan heel mooi en spannend uit, maar de
bezoeker -die tenslotte naar de tentoonstelling komt om die naaimachines te zien- ziet door de
artistieke belichting maar de helft van die machines.
Beter is het daarom om sfeer te creëren door middel van bijvoorbeeld de
paralleltentoonstelling: de lappen stof die genaaid zijn op de verschillende machines. Door te
kiezen voor bepaalde vormen en kleuren kan men de tentoonstelling prachtig aankleden.
De dosering
We zagen hierboven dat we bij het inrichten rekening moeten houden met de inhoud en met
het
uiterlijk. Er zijn nog een paar belangrijke factoren die we zeker niet mogen vergeten.
Zo is er de veel voorkomende fout dat men kleine voorwerpen dichter bij elkaar plaatst dan
grote. Dat lijkt logisch omdat een groot voorwerp meer ruimte in beslag neemt en men vaak
de
handregel hanteert dat er tussen twee voorwerpen een ruimte moet zitten die ongeveer even
groot is als de gemiddelde omvang van die twee voorwerpen. Je creëert als het ware en
lege
ruimte rondom het tentoongestelde om dat afzonderlijk te kunnen zien. Bij een groot werk ga
je verder achteruit en is er meer vrije ruimte nodig.
In zekere zin is dat ook de functie van een passe-partout en van een lijst, die horen dan nauw
aan te sluiten bij het kunstwerk. Zeker vandaag de dag is dat gebruikelijk. In het verleden
dacht
men daar heel anders over. Wat te zien is aan de lijsten die er rond oudere werken hangen.
Ook
op foto's van galerien en tentoonstellingen van rond de eeuwwisseling, is te zien dat elk
plekje
van de muur bedekt is door een kunstwerk.
Mede door het toenemende museumbezoek is men daar heel anders over gaan denken en er
naar gaan handelen. Nu hangt elk kunstwerk op een mooie afstand van het volgende. Helaas
wordt er teveel uitgegaan van de kunstwerken en te weinig van de bezoekers.
We
merken dat
vooral op tentoonstellingen waar veel bezoekers komen. Twintig mensen die voor een
schilderij van vijf meter breed staan is geen probleem, maar even verderop staan die twintig
mensen
voor een schilderijtje van dertig centimeter breed en een meter verderop hangt er weer zo'n
schilderijtje. Dan wordt het echt dringen. Veel bezoekers lopen dan maar door en missen
daardoor toch een belangrijk deel van de tentoonstelling.
Soms zijn die kleine
schilderijtjes zo
beroemd dat iedereen ze wil zien. Zo was er in het Rijksmuseum te Amsterdam een zaaltje
waar verschillende beroemde kleine schilderijtjes hingen. Op drukke dagen kon de
airconditioning het niet meer aan en was het in dat zaaltje werkelijk te benauwd om rond te
lopen. De
kans op het flauwvallen van een bezoeker was daar niet gering.
Wie een tentoonstelling maakt met het doel veel volk, of groepen bezoekers te trekken, die
moet er bij het inrichten rekening mee houden dat er ook tussen twee kleine objecten
voldoende ruimte hoort te zijn. Het is dan de kunst om die ruimte niet als een leegte te laten
overkomen op de bezoeker.
De verblijfsduur
Tot slot is er nog de verblijfsduur waarmee rekening gehouden moet worden bij het ontwerpen
van de tentoonstelling:
- de tijd die we denken dat er nodig is
- de tijd die we denken dat wenselijk is en die we verwachten
dat men beschikbaar heeft
Op het moment dat het tentoon te stellen materiaal in volgorde klaar ligt en het loopplan vorm
begint te krijgen, moeten we trachten in te schatten hoeveel tijd er nodig is om de
tentoonstelling te kunnen zien.
Afhankelijk van de ruimte, het soort van tentoonstelling, de periode waarin ze wordt
gehouden
en allerlei andere factoren, weten we hoe lang het bezoek aan een tentoonstelling mag duren.
Het spreekt vanzelf dat een beginnende tentoonsteller dit soort zaken minder goed kan
inschatten dan iemand die daar meer ervaring mee heeft.
Toch zijn er bepaalde vaste gegevens, als er bijvoorbeeld vanuit de plaatselijke school onder
begeleiding een groep leerlingen de tentoonstelling komt bezoeken, dan heeft die meestal een
lesuur ter beschikking.
We komen hier overigens nog op terug in deel IV-B ("Tijdens de tentoonstelling").
Enerzijds is er dus de tijd die we verwachten dat men over heeft voor een bezoek aan de
tentoonstelling, anderzijds de tijd die men nodig heeft om de tentoonstelling te zien. Als die
niet in overeenstemming zijn zullen we aan de tentoonstelling moeten sleutelen. Dat is in het
algemeen makkelijker.
De invloed van de architectuur
Er zijn oneindig veel mogelijkheden om ruimtes in te delen met behulp van panelen. We
bespreken een paar basisopstellingen en hun karakteristieken.

Op de eerste plaats hebben we als elementen de `gang' (fig 9) en de `kamer' (10). Bezoekers
hebben de neiging om in een kamer rust te nemen, komen ze in een gang dan gaat men
automatisch versnellen. Vanuit deze twee elementen zijn er weer heel wat
mogelijkheden zoals de wig-structuur (fig 11), de rijg-structuur (fig 12), de kamer-structuur
(fig 13) en de cirkelstructuur (fig 14).
We kennen ook twee belangrijke manieren om van de ene naar de andere kamer te gaan: de
`open doorgang' (fig 15) en de `verborgen-doorgang' (fig 16). Het verschil tussen die twee is
dat er meer rust is in de kamers met een verborgen doorgang. De bezoeker wordt nog niet
afgeleid door wat er in de volgende kamer te zien is.
III-A.4 De verschillende manieren om ten toon te stellen.
De verschillende manieren van tentoonstellen zijn niet zo eenvoudig in te delen.
Een indeling zou gebaseerd kunnen zijn op de volgende vijf vragen:
- Wat ?
- Waar ?
- Wanneer ?
-----
- Hoe ?
- Waarom ?
Vanuit elk van deze vragen kunnen we tot een fijnere indeling komen. Daartoe moeten we de
vragen verder uitwerken, hetgeen later in deze les ook gebeurt.
Vanuit die verschillende invalshoeken zijn er diverse combinaties mogelijk. We zullen straks
zien dat het gaat om zeer veel verschillende combinaties die elkaar op allerlei manieren over
lappen. Dit maakt een indeling in hoofdgroepen zo goed als onmogelijk.
In deel 1 ( "Een beleidsplan opstellen") las u op welke fronten, op welke markten een
tentoonsteller actief dient te zijn.
Inventarisatie leert dat u als tentoonsteller onder andere te maken hebt met:
- kunstwerken en ander tentoonstellingsmateriaal (wat).
- een ruimte (waar).
- duur / tijd (wanneer).
- onkosten / budget (hoe).
- personeel (hoe).
- publicititeit (hoe).
- een beleidsplan (waarom).
- publiek (waarom).
- producent: kunstenaar / leverancier (waarom).
- public relations / image (waarom).
- onvoorziene zaken.
Het is duidelijk dat men met een tentoonstelling vele doelen kan nastreven. Zo kunt u de
aandacht willen trekken voor:
- de ruimte.
- de tentoonstellingsactiviteiten.
- het tentoonstellingsmateriaal/de kunstwerken.
- de leveranciers/ kunstenaar(s).
- de tentoonsteller.
- de sponsors / financiers.
van:
- het publiek.
- de media.
- de leveranciers/ kunstenaar(s).
- de sponsors / financiers.
- de overheid / subsidiegevers.
- de collega's.
- de afnemers / vaste klanten.
De tentoonstelling kan ook het experimenteren tot doel hebben, of ze kan dienen om een
bepaalde ontwikkeling te stimuleren bij:
- de leveranciers/ kunstenaar(s).
- het publiek.
- de tentoonsteller.
- de media.
- de overheid.
Wat ? Waar ? & Wanneer ?
Om een goed overzicht te krijgen van de verschillende tentoonstellingsvormen inventariseren
we hier de verschillende mogelijkheden naar:
- omvang, opzet en samenhang (wat).
- plaats en ruimte (waar).
- duur en tijdsgebondenheid (wanneer).
Vervolgens geven we een korte omschrijving van de belangrijkste kenmerken van die
verschillende mogelijkheden.
De vragen "hoe" en "waarom" komen slechts zijdelings ter sprake. "Waarom" is vragen naar
de
strategie van het beleid, terwijl "hoe" vragen is naar de tactiek. Dit laatste wordt uitgebreid
behandeld in het deelgebied "Tentoonstelling, de voorbereiding". Waarom men voor een
bepaalde strategie, een bepaald beleid kiest en vanuit dat beleid voor een bepaalde
tentoonstelling kiest, heeft te maken met de mogelijkheden die er zijn.
Hieronder een overzicht van wat er zo allemaal mogelijk is op het gebied van tentoonstellen.
Inventarisatie:
1. Wat ?
A. naar omvang:
zeer klein, klein, middelgroot, groot, zeer groot.
B. naar opzet:
1. tentoonstellingen met een enkel onderwerp/techniek als
uitgangspunt.
2. tentoonstellingen met verschillende onderwerpen/technieken
als uitgangspunt.
3. de confrontatie tussen gelijksoortige communicatievormen;
duo/groeps tentoonstellingen.
4. multi media tentoonstellingen; confrontatie(s) met andere
communicatievormen.
C. naar samenhang tussen de tentoonstellingen:
1. een volledig op zichzelf staande tentoonstelling.
2. een tentoonstellingsreeks van min of meer gelijkwaardige,
elkaar opeenvolgende, maar op zichzelf staande tentoonstellingen.
3. een tentoonstellingsreeks met op elkaar volgende, op zichzelf staande, min of meer
gelijkwaardige, maar in een serie
passende, tentoonstellingen.
4. een tentoonstellingscyclus van aan elkaar verwante tentoonstellingen.
5. opzichzelfstaande tentoonstellingen die gelijktijdig met
andere (plaatselijke) activiteiten georganiseerd worden.
6. tentoonstellingen die deel uitmaken van een project.
2. Waar ?
A. naar plaats:
1. in de eigen tentoonstellingsruimte/galerie.
2. in de directe nabijheid van de eigen tentoonstellingsruimte/galerie.
3. in een andere tentoonstellingsruimte.
4. in de open lucht.
5. in een atelier/school/werkplaats.
6. in een provisorische ruimte (tenten e.d.).
7. in meerdere ruimten.
8. in een multifunctioneel centrum.
9. anders (bijv. mail-art).
B. naar ruimte:
1. zeer kleine ruimte: < 10 m2.
2. kleine ruimte: 10 m2 > < 40 m2.
3. middelgrote ruimte: 40 m2 > < 80 m2.
4. grote ruimte: 80 m2 > < 300 m2.
5. zeer grote ruimte: > 300 m2.
3. Wanneer ?
A. naar duur:
1. zeer lang: meer dan 3 maanden.
2. lang: 1 - 3 maanden.
3. middellang: 1 maand.
4. kort: 1 - 2 weken.
5. zeer kort: minder dan 1 week.
B. naar tijdsgebondenheid:
1. seizoensgebonden.
2. datumgebonden.
Kenmerken
1. Wat:
A. naar omvang:
In het algemeen geldt: hoe groter hoe meer kosten. Ook kleine tentoonstellingen kunnen veel
geld kosten maar meestal zijn grote tentoonstellingen duurder: meer vervoer, meer in te
lijsten,
meer tijd nodig om in te richten, een groter ruimtebeslag; dus meer verwarming, licht en
toezicht.
Om `rendabel' te kunnen zijn moet er veel publiek komen wat op zijn beurt betekent dat het
materiaal interessant moet zijn voor een grote groep bezoekers.
Vandaar de algemene stelregel dat, hoe groter een tentoonstelling is, hoe langer ze op een
bepaalde plaats dient te zien moet zijn.
- zeer klein: een tentoonstelling kan in principe al uit n werk bestaan. Het moet dan wel iets
zeer bijzonders zijn, bijvoorbeeld een zeer bekend of uitzonderlijk schilderij. Gedurende korte
tijd kunt u daar veel mensen en publiciteit mee trekken.
- klein: een tentoonstelling met klein materiaal biedt de volgende voordelen: ze kost meestal
weinig ruimte en weinig personeel, afhankelijk van het tentoongestelde werk kan zo'n tentoon
stelling gedurende langere tijd op eenzelfde plaats blijven. Kleine tentoonstellingen zijn vaak
goed te verplaatsen, waardoor ze verhuurd kunnen worden aan andere instellingen. Dit is
vooral belangrijk indien er nogal wat werk gedaan is om de tentoonstelling samen te stellen.
Het maken van kleine tentoonstellingen is vooral een kwestie van elimineren en streven naar
soberheid.
- middelgroot: een middelgrote tentoonstelling biedt de mogelijkheid om meer `verhaal' in een
tentoonstelling te stoppen. Ook bij middelgrote tentoonstellingen moet u niet al te veel willen
laten zien. Wie een tentoonstelling voorbereidt verdiept zich en raakt meestal gefascineerd
door het onderwerp. Tentoonstellingspubliek daarentegen weet vaak nog niets van het
onderwerp; een te grote hoeveelheid werk verwart en overdondert de kijker dan al snel.
- groot: bij grote tentoonstellingen bent u in de gelegenheid een bepaald onderwerp goed uit te
diepen en iets in al zijn facetten te laten zien; zo'n tentoonstelling vergt veel voorbereiding
maar kan jarenlang gebruikt worden, zelfs op een en dezelfde plaats.
- zeer groot: heel veel leidt wel tot zeer groot, maar is daarom nog niet altijd aan te bevelen.
Veel van hetzelfde resulteert vaak in verveling bij de bezoekers. Hoe groter de tentoonstelling
hoe eerder de vermoeidheid toeslaat. Een zeer grote tentoonstelling kan men zelden in &eacu
te;én keer
zien en niet iedereen komt terug. Vandaar dat een zeer grote tentoonstelling het best kan
bestaan uit opzichzelfstaande deeltentoonstellingen die samen een geheel vormen, zodat de
kijker zich met en tevreden gevoel ergens in de tentoonstelling kan ophouden. Dergelijke
tussen-eindpunten dient u in te bouwen bij het ontwerpen van zo'n tentoonstelling.
Zeer grote tentoonstellingen zijn eigenlijk niet geschikt om lang op dezelfde plaats te blijven.
Ze zijn te omvangrijk om ze als één geheel te ervaren. Eenmaal tijdens een
seizoen veel laten
zien kan een enorme publiekstoeloop veroorzaken. Maar nooit te lang, want dan verliest het
juist weer zijn aantrekkingskracht.
Het is overigens de taak van de tentoonsteller om ten behoeve van de kijkers, en vanuit de
eigen deskundigheid een voorselectie te maken; de belangrijke dingen eruit te pikken of
bijvoorbeeld eens "een andere kijk te geven".
B. naar opzet:
- tentoonstellingen met 1 onderwerp of 1 techniek als uitgangspunt: dit zijn tentoonstellingen
in
de "diepte". U concentreert zich op de essentie van het tentoongestelde en diept dat vervolgens
uit. In het algemeen dienen dit geen al te grote tentoonstellingen te worden. Er moet een
duidelijk(e) verhaal(lijn) herkenbaar zijn. Met dit soort tentoonstellingen kunt u uitstekend
series opzetten.
- tentoonstellingen met verschillende onderwerpen of techniekenen als uitgangspunt; in plaats
van in de diepte werkt u hier in de breedte. De werkwijze komt verder sterk overeen met de
hiervoor genoemde.
- de confrontatie tussen gelijksoortige kunstvormen in duo- of groepstentoonstellingen.
Hierbij
moet u denken aan middelgrote tot grote tentoonstellingen. Confrontatie kan tegenstelling
betekenen, of beïnvloeding. Werkt u dan maar met een paar voorbeelden dan zouden
die
confrontaties en hun gevolgen op toeval kunnen berusten. Een grotere tentoonstelling, dus
meer voorbeelden, kunnen in dat verband een duidelijker beeld scheppen.
- multi media tentoonstellingen: confrontaties tussen verschillende communicatiemogelijkhe
den. In dit geval kunt u denken aan tentoonstellingen van uiteenlopende omvang.
Tentoonstellingen van deze soort bieden uitstekende mogelijkheden om te experimenteren en
onverwachte
dingen te doen.
C. naar samenhang tussen de tentoonstellingen:
- een volledig opzichzelfstaande tentoonstelling; bij een volledig opzichzelfstaande
tentoonstelling is er op alle fronten sprake van eenmaligheid. Soms, bijvoorbeeld in het kader
van een
speciale gelegenheid, is een dergelijke tentoonstelling goed op zijn plaats. Dat weegt dan op
tegen het nadeel dat ook het werk en het geld eenmalig aangewend worden.
- een tentoonstellingsserie van min of meer gelijkwaardige, elkaar opvolgende maar
opzichzelfstaande tentoonstellingen: er is sprake van een serie wanneer een deel van het werk
en de
kosten eenmalig gedaan hoeven te worden. Een gelijkwaardige opeenvolgende serie is ook
voor het publiek prettig, men kent namelijk - na een paar tentoonstellingen - de gemiddelde
kwaliteit en weet zodoende min of meer wat men verwachten kan.
- een tentoonstellingsserie met op elkaar volgende, opzichzelfstaande, min of meer gelijkwaar
dige, maar in een serie passende tentoonstellingen. Tentoonstellingen verzorgen die op elkaar
aansluiten is minder enerverend voor de organisator omdat er met een bepaald thema of vanuit
een bepaalde invalshoek gewerkt wordt. De serie moet wel voldoende sterk zijn om het
publiek te binden. Als de serie interessant is, blijft het publiek komen maar als ze tegenvalt
komt men niet meer zolang de serie duurt.
- een tentoonstellingscyclus van niet opzichzelfstaande tentoonstellingen. Voor commercile
galeries is deze vorm minder aan te bevelen. De risico's zijn namelijk enorm. Tenminste voor
zover men uitsluitend een dergelijke cyclus brengt. Tentoonstellingscycli moeten overigens
niet
te lang duren en de tentoonstellingen mogen niet al te groot zijn. Er dient bovendien een zeer
duidelijke, interessante en liefst stijgende lijn in te zitten.
- Opzichzelfstaande tentoonstellingen die gelijktijdig met andere (plaatselijke) activiteiten
georganiseerd worden. Voor veel tentoonstellers zijn dit gelegenheden om te experimenteren.
Samenwerken met anderen betekent altijd; aanpassen. Dit houdt onder meer in dat u een en
ander eens door iemand anders zijn bril moet bekijken. Verder accepteert het publiek meer
`onvolkomenheden' tijdens gezamenlijke manifestaties. U kunt dus beduidend meer risico
lopen
zonder angst te hoeven hebben te veel van uw goede imago te verliezen.
- tentoonstellingen die deel uitmaken van een project. Deze vergen veel van de tentoonsteller.
Projecten zijn meestal goed voorbereid en hebben een behoorlijke inhoud; de deelnemers zijn
meestal vrij professioneel. Binnen dat veld moet u niet alleen goed `meedraaien' en een
perfect
overzicht van het hele project hebben. U moet als het ware - gedreven door de situatie -
boven
u zelf kunnen uitstijgen, met name op het gebied van de kwaliteit van het door u tentoongestel
de materiaal.
2. Waar:
A. naar plaats.
- in de eigen ruimte: de voordelen daarvan zijn evident:
u hebt alles in en bij de hand plus een goede controle over de organisatie. U kunt een bekend
adres worden. U hebt geen verplaatsingskosten. Een nadeel is dat u zich weinig missers kunt
veroorloven; uw image kan immers te veel gevaar lopen. Het tentoongestelde moet dus altijd
aan uw kwaliteitseisen voldoen
- in de directe nabijheid: u hebt een redelijk goede controle op de gang van zaken. Het biedt
tijdelijke uitbreidingsmogelijkheden, extra publiciteit en kan als experiment interessant zijn.
Het
publiek accepteert bovendien eerder dat u ongebruikelijke dingen doet.
- u wordt ergens binnengehaald als 'deskundige": dat moet u dan ook waarmaken. Nadelen
daarbij kunnen zijn dat de ruimte u vaak minder goed bekend is en u met veel zaken rekening
moet houden die niets met het tentoonstellen op zich te maken hebben. Ook het beleid en het
image van die andere ruimte zult u in uw aanpak moeten betrekken.
- in de open lucht: dit type tentoonstellingen zijn meestal (zeer) tijdelijk en wat vrijblijvender
van aard. U moet rekenen op veranderlijke en moeilijke weersomstandigheden. Letterlijk en
figuurlijk is er openheid. Openluchttentoonstellingen zijn goed ter afwisseling en niet zelden
aardige publiciteits- en publiekstrekkers.
- in een atelier/school/werkplaats: dit kan rommeliger werken betekenen. U hebt meer te
maken met bijvoorbeeld: de actualiteit, onafgewerkt materiaal, onuitgewerkte ideeën,
diversiteit, maar ook met een ongedwongen en intieme sfeer.
- in een provisorische ruimte: dit kan inhouden dat de tentoonstelling minder goed afgewerkt
hoeft te zijn. Goed toezicht voor, tijdens en na de tentoonstelling zijn noodzakelijk. Evenals
rekening houden met de weersomstandigheden. Korte evenementen en plaatselijke
publiekstrekkers zijn vaak aanleiding tot het organiseren van dergelijke exposities.
- in meerdere ruimten: dit biedt mogelijkheden om een onderwerp op verschillende manieren
te
benaderen, om diverse technieken te tonen, om een verhaallijn in de tentoonstelling aan te
brengen met grote rustpunten of om een groepstentoonstelling te verwezenlijken.
- in een multifunctioneel centrum: een dergelijk gebouw heeft meestal uitgesproken voor- en
nadelen. Voordelen kunnen zijn: de vaak uitstekende locatie, de bekendheid van het gebouw
(waarvan u kunt meeprofiteren) , de mogelijkheid om aan te sluiten bij gezamenlijke
activiteiten, veel bezoekers. Mogelijke nadelen: verschillende activiteiten kunnen met elkaar
'wringen',
matig geïnteresseerd publiek, minder intieme sfeer, minder toezicht.
- anders: bijvoorbeeld mail-art. Dit houdt onder meer in dat u geen expositieruimte nodig
hebt;
u publiceert via de post of de krant. U brengt uw `tentoonstelling' als het ware bij de mensen
thuis in hun eigen woonomgeving. In deze vorm kunt u veel plezier van uw werk hebben.
B. naar ruimte.
- zeer klein: het betreft hier vaak raam- of vitrinetentoonstellingen. Bezoekers hoeven de
ruimte in het algemeen niet te betreden om het tentoongestelde werk te bekijken.
- klein: deze zijn meestal goed geschikt voor exposities van onder andere: grafisch werk (met
veel mappen) en exclusieve objecten, zoals sieraden en juwelen.
- middelgroot: dit zijn de beste ruimtes voor de conventionele tentoonstellingen met
vernissages, ontvangsten en dergelijke. Meestal kan een hal met daarin een winkeltje worden
ingericht,
waarin vooraankondigingen en dergelijke kunnen worden opgehangen. Ook bieden zij meestal
mogelijkheden om werk in stock te houden.
- groot: de mogelijkheden voor groepstentoonstellingen, tussentijdse veranderingen en voor
aankondigingen zijn in grote ruimtes uitgebreider en gemakkelijker te
realiseren.
- zeer groot: meestal zijn deze ruimtes het best geschikt voor hele korte of juist hele lange
tentoonstellingen. Ze zijn moeilijker sfeervol of gezellig te maken. Soms kun je door middel
van visuele verkleining en het opdelen van de ruimte een gunstig effect bereiken.
3. Wanneer:
A. naar duur.
- zeer lang: dit soort tentoonstellingen treft u vaak aan in musea, overheidsgebouwen,
bedrijven of als rondreizende exposities. Met dit type gaan vaak hoge kosten gepaard. Denk
aan
bijvoorbeeld: personeel, doorlopende publiciteit, verzekeringen en onderhoud. Ze vormen
vaak
een uitdaging voor de tentoonsteller omdat ze worden opgezet voor een groot publiek, weinig
concurrentie van andere tentoonstellingen te duchten hebben, tussentijds verbeterd kunnen
worden en van aantrekkelijke publiciteitscampagnes vergezeld gaan.
- lang: Bijvoorbeeld gedurende de lengte van het toeristenseizoen, hoewel dat tegenwoordig
met gemak langer dan 3 maanden kan duren. Wanneer de tentoonstelling eenmaal `loopt' kunt
u invallers inzetten voor de dagelijkse gang van zaken en zelf op zoek gaan naar onbekende,
nieuwe en interessante ontwikkelingen binnen het vakgebied.
- middellang: de meeste tentoonstellers vinden dit een prettig ritme van afwisseling. Er is
voldoende organisatietijd en een nieuwe opdracht kondigt zich zelden te vroeg aan. U hebt
ruim de tijd om uw werkzaamheden goed te plannen.
- kort: deze tentoonstellingen dienen, om rendabel te zijn, binnen het tijdsbestek een redelijke
hoeveelheid bezoekers te trekken. Een goede publiciteitscampagne is dus noodzakelijk. Dit
type leent zich voor multifunctionele centra en reizende tentoonstellingen.
- zeer kort: voor de tentoonsteller zijn dit in het algemeen intensieve gebeurtenissen. Er moet
in korte tijd veel werk verzet worden. Aangezien er bijna altijd overuren gemaakt worden is
de
hulp van stressbestendig personeel onontbeerlijk. De organisatie dient, met andere woorden,
zeer efficiënt te zijn.
B. naar tijdsgebondenheid:
- seizoensgebonden: het is niet altijd even goed te voorzien, maar het verdient aanbeveling om
in de jaarplanning een paar 'rustige' tentoonstellingen in te lassen. Seizoensgebonden
tentoonstellingen kunnen dat zijn; een `lentesalon' bijvoorbeeld kan een stuk luchtiger van
karakter zijn
dan de gebruikelijke tentoonstellingen.
- datumgebonden: dit zijn tentoonstellingen waarbij de verwachtingen vaak hoog gespannen
zijn; er wordt naar een datum toegeleefd. Meestal door alle betrokkenen! Het voordeel van
datumgebonden tentoonstellingen is dat ze publicitair gezien wat makkelijker liggen.